De voorzitter opent de zitting op 03/07/2023 om 19:00.
Decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017.
Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.
Bestuursdecreet van 7 december 2018.
De notulen van de vergadering van 12 juni 2023 worden goedgekeurd.
Op 25 april 2018 werd door de voormalige gemeente Zingem een vergunning verleend aan HBP NV voor het bouwen van een appartement met 14 wooneenheden na het slopen van de bestaande bebouwing.
Artikel 1 van de vergunning bepaalt het volgende :
"Het college van burgemeester en schepenen verleent een digitale stedenbouwkundige vergunning aan de heer Goeminne Luc handelend in naam van NV HBP, Oudenaardsesteenweg 72/1 te 9800 Deinze om ter hoogte van de Dompel 1, op het kadastraal perceel Afd. 1 Sie B nr. 374g, een appartementsgebouw met 14 wooneenheden te bouwen, na het slopen van de bestaande bebouwing, conform de in bijlage aan onderhavige digitale stedenbouwkundige vergunning gehechte plannen en onder de hiernavolgende voorwaarden;
Voorwaarden: De gronden, op het inplantingsplan in geel ingekleurd, zijnde 190m², zullen door de bouwheer vrij, onbelast en zonder kosten voor de gemeente, overgedragen worden aan de gemeente om in te lijven bij het openbaar domein."
Het gaat over een perceel grond kadastraal bekend onder 4e Afdeling Sectie B, 0374/K met een kadastrale oppervlakte van 190 m².
De modelakte van overdracht werd opgemaakt door het kantoor van de besloten vennootschap “Notaris Liesbeth Matthys”, met zetel te 9772 Kruisem, Wannegemdorp 49B.
Alle kosten, zoals opmetings- en schattingskosten evenals de notariskosten, zijn ten laste van de overdragende partij(en).
De strook grond wordt door de overdracht opgenomen in het openbaar domein van de gemeente Kruisem.
De artikelen 41 en 162 van de Grondwet.
De artikelen 40, 41 en 326 tot en met 341 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
De artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.
Het bestuursdecreet van 7 december 2018.
Artikel 1:
De modelakte houdende de overdracht van een strook grond ter hoogte van residentie Dompel (hoek Kwaadstraat, Dompel en Dorpsstraat) zoals opgesteld door het kantoor van de besloten vennootschap “Notaris Liesbeth Matthys”, met zetel te 9772 Kruisem, Wannegemdorp 49B, wordt goedgekeurd. De strook grond wordt door de overdracht opgenomen in het openbaar domein van de gemeente Kruisem.
Artikel 2:
De kosten voor deze akte worden gedragen door de overdragende partij.
Artikel 3:
De voorzitter van de gemeenteraad en de algemeen directeur worden gemachtigd om de overdrachtsakte te ondertekenen en de gemeente te vertegenwoordigen bij de notariële verplichtingen.
Artikel 4:
Afschrift van deze beslissing wordt overgemaakt aan het kantoor van de besloten vennootschap “Notaris Liesbeth Matthys”, met zetel te 9772 Kruisem, Wannegemdorp 49B.
Artikel 5:
Overeenkomstig artikel 330 van het decreet lokaal bestuur brengt de gemeenteoverheid de toezichthoudende overheid op de hoogte van de bekendmaking op de webtoepassing.
Er is vastgesteld dat er achterliggend aan de private eigendom Deinsesteenweg 159 een perceeltje restgrond ligt dat eigendom is van de gemeente Kruisem maar thans geen functie meer heeft.
Dit perceel maakt deel uit van een groter geheel waarvoor door het college van burgemeester en schepenen op 27 februari 2023 goedkeuring werd gegeven aan de splitsing van dit perceel.
De aanpalende eigenaar heeft interesse betoond om dit perceeltje aan te kopen.
Volgens meting heeft dit perceel een oppervlakte van 128,91 m². Het staat kadastraal bekend onder 1e afd, sectie A, 1864 A P0000.
Het betreft een perceeltje dat geen waarde meer heeft voor de gemeente en dat aansluit aan de tuin van de geïnteresseerde koper. Op basis van recente onteigeningen wordt de verkoopprijs bepaald op € 10 per m² of een totaalbedrag van € 1.289.
Na aftrek van de kosten ten laste van de verkoper bedraagt de verkoopprijs 1.131,10 euro.
De artikelen 41 en 162 van de Grondwet.
De artikelen 40, 41 en 326 tot en met 341 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
De artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.
Het bestuursdecreet van 7 december 2018.
De grond zal overgedragen worden tegen de prijs zoals vermeld in de akte. De opmetings- en schattingskosten zijn ten laste van de koper. De leveringskosten volgens de afrekening zijn ten laste van de verkoper.
De modelakte zoals opgesteld door het kantoor van Lambrecht, Raskin & Dierynck, geassocieerde notarissen.
De modelakte houdende de verkoop van een restperceeltje achterliggen aan de private eigendom Deinsesteenweg 159 wordt goedgekeurd.
Artikel 2:
De voorzitter van de gemeenteraad en de algemeen directeur worden gemachtigd om de verkoopakte te ondertekenen en de gemeente te vertegenwoordigen bij de notariële verplichtingen.
Artikel 3:
Afschrift van deze beslissing wordt overgemaakt aan het kantoor van Lambrecht, Raskin & Dierynck, geassocieerde notarissen.
Artikel 4:
Overeenkomstig artikel 330 van het decreet lokaal bestuur brengt de gemeenteoverheid de toezichthoudende overheid op de hoogte van de bekendmaking op de webtoepassing.
Op 19 april 2018 werd door de Deputatie van de Provincie Oost-Vlaanderen aan nv Dou-Beton Flooring Systems een omgevingsvergunning verleend voor het exploiteren van een nieuwe inrichting voor de productie van betongewelven.
Artikel 3 §1, 3 van dit besluit bepaalt het volgende :
"Grondafstand: Gratis grondafstand ten gunste van het gemeentebestuur van een deel van de groenzone aan de noordzijde van de site teneinde een volwaardige gelijkgrondse ontsluiting te kunnen (laten) realiseren op de Stokstraat als ontsluiting van de ingesloten bedrijfsgrond langs de E17 . De zone van de grondafstand werd gesitueerd op een door de bouwheer aangepast plan."
De overdracht betreft de goederen zoals afgebeeld als ‘lot 1’ (goed sub 1/) en ‘lot 2’ (goed sub 2/) op het plan van landmeter Noël Martens, beëdigd landmeter te Oudenaarde de dato 18 mei 2022.
1/ Een perceel grond, gelegen aan de Stokstraat, kadastraal bekend onder Kruisem/eerste afdeling/Kruishoutem, volgens titel en recent kadastraal uittreksel (afgeleverd op 27 oktober 2022) sectie C, deel van nummer 0641R P0000, met een oppervlakte volgens meting van vier are twaalf centiare zeven decimilliare (4a 12ca 07dma).
Voor voormeld lot werd door de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie het perceelnummer C 1574A P0000 gereserveerd.
2/ Een perceel grond, gelegen aan de Stokstraat, kadastraal bekend onder Kruisem/eerste afdeling/Kruishoutem, volgens titel en recent kadastraal uittreksel (afgeleverd op 27 oktober 2022) sectie C, deel van nummers 0641Y P0000 en 645H P0000, met een oppervlakte volgens meting van drie are achtenzestig centiare elf decimilliare (3a 68ca 11dma).
Voor voormeld lot werd door de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie het perceelnummer C 1574B P0000 gereserveerd.
De modelakte van overdracht werd opgemaakt door het kantoor van de besloten vennootschap “Notaria”, waarvoor meester Bénédicte Strobbe optreedt en met zetel te Harelbeke, Stationsplein 2.
De artikelen 41 en 162 van de Grondwet.
De artikelen 40, 41 en 326 tot en met 341 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
De artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.
Het bestuursdecreet van 7 december 2018.
Alle kosten, zoals opmetings- en schattingskosten evenals de notariskosten, zijn ten laste van de overdragende partij(en).
De strook grond wordt door de overdracht opgenomen in het openbaar domein van de gemeente Kruisem.
Artikel 1:
De modelakte houdende de kosteloze overdracht van de volgende loten achter en langs de Stokstraat wordt goedgekeurd. De vermelde loten worden door de overdracht opgenomen in het openbaar domein van de gemeente Kruisem.
1/ Een perceel grond, gelegen aan de Stokstraat, kadastraal bekend onder Kruisem/eerste afdeling/Kruishoutem, volgens titel en recent kadastraal uittreksel (afgeleverd op 27 oktober 2022) sectie C, deel van nummer 0641R P0000, met een oppervlakte volgens meting van vier are twaalf centiare zeven decimilliare (4a 12ca 07dma).
Voor voormeld lot werd door de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie het perceelnummer C 1574A P0000 gereserveerd.
2/ Een perceel grond, gelegen aan de Stokstraat, kadastraal bekend onder Kruisem/eerste afdeling/Kruishoutem, volgens titel en recent kadastraal uittreksel (afgeleverd op 27 oktober 2022) sectie C, deel van nummers 0641Y P0000 en 645H P0000, met een oppervlakte volgens meting van drie are achtenzestig centiare elf decimilliare (3a 68ca 11dma).
Voor voormeld lot werd door de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie het perceelnummer C 1574B P0000 gereserveerd.
Artikel 2:
De voorzitter van de gemeenteraad en de algemeen directeur worden gemachtigd om de overdrachtsakte te ondertekenen en de gemeente te vertegenwoordigen bij de notariële verplichtingen.
Artikel 3:
Afschrift van deze beslissing wordt overgemaakt aan het het kantoor van de besloten vennootschap “Notaria”, waarvoor meester Bénédicte Strobbe optreedt en met zetel te Harelbeke, Stationsplein 2.
Artikel 4:
Overeenkomstig artikel 330 van het decreet lokaal bestuur brengt de gemeenteoverheid de toezichthoudende overheid op de hoogte van de bekendmaking op de webtoepassing.
Het college van burgemeester en schepenen heeft in zitting van 06 maart 2023 bij hoogdringendheid een voorlopige beslissing genomen aangezien het schoolbestuur voor 10 maart 2023 zijn keuze van leersteuncentrum moest bekendmaken aan AGODI. Na goedkeuring van het decreet moet deze beslissing bekrachtigd worden door de gemeenteraad.
Ondertussen heeft het Vlaams parlement op 3 mei 2023 het decreet over leersteun goedgekeurd.
Het schoolbestuur is momenteel aangesloten bij het ondersteuningsnetwerk SYM ’t Craeneveld Oudenaarde (samenwerkingsverband GO! en OVSG).
Alle schoolbesturen van de scholengemeenschap Schelde-Leie zijn trouwens aangesloten bij hetzelfde ondersteuningsnetwerk. Na een analyse en een intern kwaliteitsonderzoek zijn alle scholen van de scholengemeenschap uiterst tevreden over de samenwerking.
Het decreet over leersteun kiest voor een nieuw ondersteuningsmodel, waarbij mensen, middelen en expertise worden geconcentreerd in deze nieuwe leersteuncentra, die anders georganiseerd zijn dan de huidige ondersteuningsnetwerken.
Er wordt gekozen voor een beperkt aantal leersteuncentra die de mogelijkheden maximaal bundelen én garanderen met een voldoende kritische massa.
Scholen voor gewoon onderwijs kiezen vrij het leersteuncentrum waarbij ze willen aansluiten (los van het net of de koepel waartoe ze behoren) en nemen een belangrijke rol op in de leersteunraad. Jaarlijks kunnen ze kiezen om hun middelen in dat leersteuncentrum onder te brengen waar hun noden optimaal beantwoord worden.
De Vlaamse Regering heeft met de representatieve verenigingen van inrichtende machten (waaronder OVSG) een protocol afgesloten over waar de LSC’s mogen worden opgericht en door welke besturen (protocol landschap LSC).
Het schoolbestuur heeft volgende scholen voor gewoon basisonderwijs:
- Gemeentelijke Basisschool “De Bosrank”, Kerkplein 24, 9750 Kruisem
- Gemeentelijke Basisschool “De Weide Wereld”, Passionistenstraat 25, 9770 Kruisem.
Het schoolbestuur wenst aan te sluiten bij het LSC : Leersteuncentrum GO! 19 20 21 , Serpentstraat 63, 9700 Oudenaarde om voor de leerlingen en leerkrachten van de eigen school te voorzien in professionele leersteun. Deze leersteun komt in de plaats van de ondersteuning door het huidige ondersteuningsnetwerk SYM ’t Craeneveld Oudenaarde (samenwerkingsverband GO! en OVSG) dat ophoudt te bestaan.
Dit LSC is opgenomen in het protocol landschap LSC waardoor het voorlopig erkend zal zijn voor het schooljaar 2023-2024 en het schooljaar 2024-2025.
Dit LSC is een zelfstandige instelling.
Het schoolbestuur voldoet aan de voorwaarden voor aansluiting zoals omschreven in de onderwijsreglementering.
De aansluiting tot Leersteuncentrum GO! 19 20 21 werd in de schoolraad van 20 en 22 juni 2023 goedgekeurd.
Artikelen 41 en 162 van de Grondwet
Decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, inzonderheid artikelen 40, 41, 56, 57, 182 en 326 tot en met 341.
Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.
Decreet van 25 februari 1977 betreffende het basisonderwijs, inzonderheid artikel 73§1,1°, 2° en 6°, hoofdstuk IX en hoofdstuk X.
Decreet van 3 mei 2023 over leersteun en het besluit van de Vlaamse regering tot uitvoering van het decreet over leersteun van 5 mei 2023.
Het afzonderlijk bijzonder onderhandelingscomité van het gesubsidieerd officieel onderwijs van het officieel onderwijs van de gemeente Kruisem (ABOC) van 16 juni 2023.
Het verslag van de schoolraad van 20 en 22 juni 2023.
Artikel 1 :
Het schoolbestuur van de:
- Gemeentelijke Basisschool "De Bosrank", Kerkplein 24, 9750 Kruisem
- Gemeentelijke Basisschool "De Weide Wereld", Passionistenstraat 25, 9770 Kruisem
sluit voor beide scholen op 1 september 2023 aan bij het leersteuncentrum GO! 19 20 21, Serpentstraat 63, 9700 Oudenaarde met als zetel Ronseweg 1, 9700 Oudenaarde.
Artikel 2 :
De collegebeslissing van 06 maart 2023 wordt bekrachtigd door de gemeenteraad.
Een schoolbestuur moet voor elk van zijn basisscholen een schoolreglement opstellen dat de betrekkingen tussen het schoolbestuur en de ouders en de leerlingen regelt.
Meer specifieke afspraken worden door het college van burgemeester en schepenen, na overleg in de schoolraad, opgenomen in de infobrochure.
Het schoolreglement gewoon basisonderwijs en de infobrochure worden bij elke inschrijving van een leerling en nadien bij elke wijziging, ter beschikking gesteld (op papier of via een elektronische drager) aan de ouders, die ondertekenen voor akkoord.
Het huidige schoolreglement gewoon basisonderwijs (inclusief de infobrochure) dat goedgekeurd werd op 4 juli 2022 is aan actualisatie toe wegens gewijzigde regelgeving en de noodzaak om sommige artikelen te verduidelijken en/of te verfijnen.
Een wijziging van het schoolreglement kan ten vroegste uitwerking hebben in het daaropvolgende schooljaar, tenzij die wijziging het rechtstreekse gevolg is van nieuwe regelgeving.
Decreet lokaal bestuur van 22 december 2017.
Decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs.
Decreet van 18 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding.
Model schoolreglement van de Onderwijsvereniging van de Steden en Gemeenten dient als basis voor het schoolreglement gewoon basisonderwijs.
Het afzonderlijk bijzonder onderhandelingscomité van het gesubsidieerd officieel onderwijs van het officieel onderwijs van de gemeente Kruisem (ABOC) van 16 juni 2023.
Het overleg van de schoolraad van 22 juni 2023.
Artikel 1 :
Het schoolreglement Gemeentelijk Basisonderwijs De Weide Wereld goedgekeurd door de gemeenteraad in zitting van 4 juli 2022 wordt opgeheven.
Artikel 2:
Het hierbij gevoegde schoolreglement wordt goedgekeurd.
Artikel 3:
Het schoolreglement wordt bij elke inschrijving van een leerling en nadien bij elke wijziging, ter beschikking gesteld (op papier of via een elektronische drager) aan de ouders, die ondertekenen voor akkoord.
Artikel 4:
Het gewijzigde schoolreglement treedt in werking op 01 september 2023.
Een schoolbestuur moet voor elk van zijn basisscholen een schoolreglement opstellen dat de betrekkingen tussen het schoolbestuur en de ouders en de leerlingen regelt.
Meer specifieke afspraken worden door het college van burgemeester en schepenen, na overleg in de schoolraad, opgenomen in de infobrochure.
Het schoolreglement gewoon basisonderwijs en de infobrochure worden bij elke inschrijving van een leerling en nadien bij elke wijziging, ter beschikking gesteld (op papier of via een elektronische drager) aan de ouders, die ondertekenen voor akkoord.
Het huidige schoolreglement gewoon basisonderwijs (inclusief de infobrochure) dat goedgekeurd werd op 4 juli 2022 is aan actualisatie toe wegens gewijzigde regelgeving en de noodzaak om sommige artikelen te verduidelijken en/of te verfijnen (gewijzigde contactgegevens e.d.m.).
Een wijziging van het schoolreglement kan ten vroegste uitwerking hebben in het daaropvolgende schooljaar, tenzij die wijziging het rechtstreekse gevolg is van nieuwe regelgeving.
Decreet lokaal bestuur van 22 december 2017.
Decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs.
Decreet van 18 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding.
Model schoolreglement van de Onderwijsvereniging van de Steden en Gemeenten dient als basis voor het schoolreglement gewoon basisonderwijs.
Het afzonderlijk bijzonder onderhandelingscomité van het gesubsidieerd officieel onderwijs van het officieel onderwijs van de gemeente Kruisem (ABOC) van 16 juni 2023.
Het overleg van de schoolraad van 20 juni 2023.
Artikel 1 :
Het schoolreglement Gemeentelijk Basisonderwijs De Bosrank goedgekeurd door de gemeenteraad in zitting van 4 juli 2022 wordt opgeheven.
Artikel 2:
Het hierbij gevoegde schoolreglement wordt goedgekeurd.
Artikel 3:
Het schoolreglement wordt bij elke inschrijving van een leerling en nadien bij elke wijziging, ter beschikking gesteld (op papier of via een elektronische drager) aan de ouders, die ondertekenen voor akkoord.
Artikel 4:
Het gewijzigde schoolreglement treedt in werking op 01 september 2023.
Een schoolbestuur moet voor elk van zijn scholen die behoren tot het gesubsidieerd gewoon en buitengewoon basisonderwijs, buitengewoon secundair onderwijs en deeltijds beroepssecundair en op de leertijd samenwerkingsafspraken moet maken om erkend te worden of te blijven.
De school is de eerste actor binnen de leerlingbegeleiding en moet dan ook de schoolinterne leerlingenbegeleiding op zich nemen.
De school werkt hiervoor een geïntegreerd beleid op leerlingenbegeleiding uit dat een invulling en uitwerking in alle fasen van het zorgcontinuüm per begeleidingsdomein omvat.
De school is de eindverantwoordelijke van het beleid op leerlingenbegeleiding voor iedere fase van het zorgcontinuüm en wordt voor de uitvoering van haar taken ondersteund door schoolexterne instanties.
De school moet samenwerken met een centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB) en moet het initiatief nemen tot het maken van samenwerkingsafspraken met een centrum.
De gemeenteraad heeft gekozen om samenwerkingsafspraken te maken met het centrum voor leerlingenbegeleiding Team Go ! CLB Oudenaarde - Geraardsbergen.
Het overleg tussen de directies van de school en van het centrum voor leerlingenbegeleiding heeft geleid tot samenwerkingsafspraken.
Het overleg met de schoolraad over deze samenwerkingsafspraken is gebeurd op 20 juni 2023.
Decreet lokaal bestuur van 22 december 2017
Decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikelen 27,28,33,37,54 en 172 quinquies
Decreet betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs ,het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding van 18 april 2018
Het model van schoolreglement van het Onderwijssecretariaat van de Steden en Gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap
Het afzonderlijk bijzonder onderhandelingscomité van het gesubsidieerd officieel onderwijs van het officieel onderwijs van de gemeente Kruisem (ABOC) van 16 juni 2023
Het overleg in de schoolraad van 20 juni 2023
Artikel 1:
De Gemeentelijke Basisschool “De Bosrank” verlengt de hierbij gevoegde samenwerkingsafspraken met het Team Go! CLB Oudenaarde - Geraardsbergen.
Een schoolbestuur moet voor elk van zijn scholen die behoren tot het gesubsidieerd gewoon en buitengewoon basisonderwijs, buitengewoon secundair onderwijs en deeltijds beroepssecundair en op de leertijd samenwerkingsafspraken moet maken om erkend te worden of te blijven.
De school is de eerste actor binnen de leerlingbegeleiding en moet dan ook de schoolinterne leerlingenbegeleiding op zich nemen.
De school werkt hiervoor een geïntegreerd beleid op leerlingenbegeleiding uit dat een invulling en uitwerking in alle fasen van het zorgcontinuüm per begeleidingsdomein omvat.
De school is de eindverantwoordelijke van het beleid op leerlingenbegeleiding voor iedere fase van het zorgcontinuüm en wordt voor de uitvoering van haar taken ondersteund door schoolexterne instanties.
De school moet samenwerken met een centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB) en moet het initiatief nemen tot het maken van samenwerkingsafspraken met een centrum.
De gemeenteraad heeft ervoor gekozen om samenwerkingsafspraken te maken met het centrum voor leerlingenbegeleiding VCLB Oudenaarde.
Het overleg tussen de directies van de school en van het centrum voor leerlingenbegeleiding heeft geleid tot samenwerkingsafspraken.
Het overleg met de schoolraad over deze samenwerkingsafspraken is gebeurd op 22 juni 2023.
Decreet lokaal bestuur van 22 december 2017
Decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, artikelen 27,28,33,37,54 en 172 quinquies
Decreet betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs ,het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding van 18 april 2018
Het model van schoolreglement van het Onderwijssecretariaat van de Steden en Gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap.
Het afzonderlijk bijzonder onderhandelingscomité van het gesubsidieerd officieel onderwijs van het officieel onderwijs van de gemeente Kruisem (ABOC) van 16 juni 2023.
Het overleg in de schoolraad van 22 juni 2023.
Artikel 1:
De Gemeentelijke Basisschool “De Weide Wereld” verlengt de hierbij gevoegde samenwerkingsafspraken met het VCLB Oudenaarde.
Het huidige arbeidsreglement dateert van 11/04/2022.
In september 2022 spraken de sociale partners een globaal kader af over het gebruik van digitale middelen in onderwijsinstellingen. Dit kader geeft gevolg aan een Europese verplichting. De afspraken rond digitale communicatiemiddelen hebben als doel deze middelen te kunnen inzetten om zowel onderwijspersoneel als leerlingen en ouders te ontlasten, niet te belasting. Het lokale afsprakenkader krijgt een duidelijke plaats binnen het preventieve welzijnsbeleid van de onderwijsinstelling. Het besteedt voldoende aandacht aan de impact van (de)connectiviteit op het psychosociaal welzijn, sensibiliseert over het belang van deconnectiviteit, en streeft een gezonde schoolcultuur na.
OVSG voorziet een minimaal kader waaraan het lokale afsprakenkader moet voldoen zodat de berichtenstroom beheersbaar blijven. Dit afsprakenkader moet uiterlijk 1 september 2023 als bijlage worden opgenomen bij het arbeidsreglement.
Daarnaast worden kleine aanpassingen opgenomen in het voorstel van arbeidsreglement voor de gemeentelijke basisscholen:
- De Bosrank, Kerkplein 24 – 9770 Kruisem
- De Weide Wereld, Passionistenstraat 25 – 9770 Kruisem
De aanpassingen gaan o.a. over :
- Hoofdstuk 2 – arbeidsduur, arbeidstijd, prestatieregeling, vakantieregeling
- Hoofdstuk 11 – bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de personeelsleden
- Hoofdstuk 13 – auteurs- en naburige rechten
- Hoofdstuk 14 – veiligheid, gezondheid en welzijn
- Hoofdstuk 15 – bescherming psychosociale risico's op het werk, waaronder geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk
Bijlage 5: deconnectie
Het arbeidsreglement werd op 16 juni 2023 voorgelegd aan het afzonderlijk bijzonder onderhandelingscomité van het gesubsidieerd officieel onderwijs van het officieel onderwijs van de gemeente Kruisem (ABOC).
Het voorstel van arbeidsreglement werd tevens voorgelegd op de schoolraad van 20 juni 2023.
Decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, inzonderheid artikelen 56, 57, 182 en 326 tot en met 341.
Decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding.
Decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs.
Besluit van de Vlaamse regering van 27 juni 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldigingsregeling in het gewoon basisonderwijs.
Besluit van de Vlaamse regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachttoelage, inzonderheid artikelen 18, 19, 20 en 34.
Besluit van de Vlaamse regering van 17 juni 1997 betreffende de personeelsformatie in het gewoon basisonderwijs.
Ministeriële omzendbrief BaO/2005/09 van 29 juni 2004 betreffende de personeelsformatie in het gewoon basisonderwijs.
Wet van 18 december 2002 tot wijziging van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen.
Het afzonderlijk bijzonder onderhandelingscomité van het gesubsidieerd officieel onderwijs van het officieel onderwijs van de gemeente Kruisem (ABOC) van 16 juni 2023.
Het overleg van de schoolraad van 20 juni 2023.
De bijlage ‘arbeidsreglement’ is raadpleegbaar via onderstaande link op de website van de gemeente Kruisem :
https://www.kruisem.be/onze-gemeente/bekendmakingen/arbeidsreglement-onderwijs-De Bosrank.
Artikel 1 :
Het arbeidsreglement voor het personeel van de Gemeentelijke Basisschool De Bosrank wordt goedgekeurd.
Artikel 2:
Een afschrift van dit besluit wordt overgemaakt aan de Inspectie van de Sociale Wetten.
Het huidige arbeidsreglement dateert van 11/04/2022.
In september 2022 spraken de sociale partners een globaal kader af over het gebruik van digitale middelen in onderwijsinstellingen. Dit kader geeft gevolg aan een Europese verplichting. De afspraken rond digitale communicatiemiddelen hebben als doel deze middelen te kunnen inzetten om zowel onderwijspersoneel als leerlingen en ouders te ontlasten, niet te belasting. Het lokale afsprakenkader krijgt een duidelijke plaats binnen het preventieve welzijnsbeleid van de onderwijsinstelling. Het besteedt voldoende aandacht aan de impact van (de)connectiviteit op het psychosociaal welzijn, sensibiliseert over het belang van deconnectiviteit, en streeft een gezonde schoolcultuur na.
OVSG voorziet een minimaal kader waaraan het lokale afsprakenkader moet voldoen zodat de berichtenstroom beheersbaar blijven. Dit afsprakenkader moet uiterlijk 1 september 2023 als bijlage worden opgenomen bij het arbeidsreglement.
Daarnaast worden kleine aanpassingen opgenomen in het voorstel van arbeidsreglement voor de gemeentelijke basisscholen:
- De Bosrank, Kerkplein 24 – 9770 Kruisem
- De Weide Wereld, Passionistenstraat 25 – 9770 Kruisem
De aanpassingen gaan o.a. over :
- Hoofdstuk 2 – arbeidsduur, arbeidstijd, prestatieregeling, vakantieregeling
- Hoofdstuk 11 – bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de personeelsleden
- Hoofdstuk 13 – auteurs- en naburige rechten
- Hoofdstuk 14 – veiligheid, gezondheid en welzijn
- Hoofdstuk 15 – bescherming psychosociale risico's op het werk, waaronder geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk
Bijlage 5: deconnectie
Het arbeidsreglement werd op 16 juni 2023 voorgelegd aan het afzonderlijk bijzonder onderhandelingscomité van het gesubsidieerd officieel onderwijs van het officieel onderwijs van de gemeente Kruisem (ABOC).
Het voorstel van arbeidsreglement werd tevens voorgelegd op de schoolraad van 22 juni 2023.
Decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, inzonderheid artikelen 56, 57, 182 en 326 tot en met 341.
Decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding.
Decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs.
Besluit van de Vlaamse regering van 27 juni 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de salarisschalen en de bezoldigingsregeling in het gewoon basisonderwijs.
Besluit van de Vlaamse regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachttoelage, inzonderheid artikelen 18, 19, 20 en 34.
Besluit van de Vlaamse regering van 17 juni 1997 betreffende de personeelsformatie in het gewoon basisonderwijs.
Ministeriële omzendbrief BaO/2005/09 van 29 juni 2004 betreffende de personeelsformatie in het gewoon basisonderwijs.
Wet van 18 december 2002 tot wijziging van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen.
Het afzonderlijk bijzonder onderhandelingscomité van het gesubsidieerd officieel onderwijs van het officieel onderwijs van de gemeente Kruisem (ABOC) van 16 juni 2023.
Het overleg van de schoolraad van 22 juni 2023.
De bijlage ‘arbeidsreglement’ is raadpleegbaar via onderstaande link op de website van de gemeente Kruisem :
https://www.kruisem.be/onze-gemeente/bekendmakingen/arbeidsreglement-onderwijs-De Weide Wereld.
Artikel 1 :
Het arbeidsreglement voor het personeel van de Gemeentelijke Basisschool De Weide Wereld wordt goedgekeurd.
Artikel 2:
Een afschrift van dit besluit wordt overgemaakt aan de Inspectie van de Sociale Wetten.
Het Decreet over het lokaal bestuur stelt dat elk lokaal bestuur moet beschikken over een ‘organisatiebeheersingssysteem’.
Een goede organisatiebeheersing komt neer op het volgende:
De algemeen directeur staat in voor het organisatiebeheersingssysteem en stelt dit vast na overleg met het managementteam.
De algemeen directeur rapporteert jaarlijks aan het college van burgemeester en schepenen, de gemeenteraad, de raad voor maatschappelijk welzijn en het vast bureau over de organisatiebeheersing. Die rapportering gebeurt jaarlijks uiterlijk voor 30 juni van het daaropvolgend jaar.
Het beheersrapport 2023 wordt thans ter kennisgeving voorgelegd aan de gemeenteraad en de raad voor maatschappelijk welzijn.
Het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, in het bijzonder de artikelen 171 tweede lid, 2017 tot en met 220.
De leidraad organisatiebeheersing lokale besturen van de Vlaamse overheid.
Het kader voor organisatiebeheersing lokaal bestuur Kruisem goedgekeurd door de gemeente- en OCMW-raad op 13 maart 2023.
Het positief advies van het Managementteam dd. 6 juni 2023 bij het beheersrapport 2023 over de organisatiebeheersing lokaal bestuur Kruisem.
Beheersrapport 2023 voor organisatiebeheersing Kruisem.
Artikel 1:
De gemeenteraad neemt kennis van het beheersrapport 2023 door de algemeen directeur over de organisatiebeheersing van het lokaal bestuur Kruisem.
Artikel 2 :
Overeenkomstig artikel 330 van het decreet lokaal bestuur brengt de gemeenteoverheid de toezichthoudende overheid op de hoogte van de bekendmaking op de webtoepassing.
Overwegende dat:
De aanvraag tot het verkrijgen van een omgevingsvergunning (OMV_2022163074) voor het verkavelen van gronden (gelegen tussen de bestaande openbare wegen Wijnhuisveld – Groenstraat – Melegemstraat) door de SHM Vlaamse Ardennen, met adres Sint-Jozefsplein 18 te 9700 Oudenaarde, en de NV Vinesco, met adres Ouwegemsesteenweg 215 te 9770 Kruisem, werd ingediend op 5 januari 2023. De aanvraag werd op 1 februari 2023 volledig en ontvankelijk verklaard door de gemeentelijke omgevingsambtenaar (GOA). De percelen zijn kadastraal gekend als Kruisem, 4de Afd. Sectie A, nrs. 493E, 496C, 497G, 498E, 545C, 550B, 550C, 551, 552, 553, 554, 555, 560, 561, 562B, 566, 569A en 570 volgens bijgevoegd rooilijnplan.
De verkavelingsaanvraag betreft 29 loten, waarvan 7 loten met meergezinswoningen (loten 2, 7, 13, 14, 15, 16 en 17), 11 loten met halfopen of open ééngezinswoningen (de loten 18 t.e.m. 28), 10 loten voor clusters van ééngezinswoningen (38 in totaal, de loten 1, 3, 4, 5, 6, 8, 9, 10, 11 en 12) en 1 lot bestemd voor de oprichting van een elektriciteitscabine (lot 29). In totaal worden er 140 woongelegenheden voorzien. Hierbij worden 5 loten voor maximaal 21 grondgebonden woningen samen met 2 meergezinswoningen bestaande uit 28 appartementen voor sociale doeleinden weerhouden. Deze zullen worden gebouwd door de Sociale Huisvestingsmaatschappij De Vlaamse Ardennen, mede-indiener van voorliggende verkavelingsaanvraag. In de totaliteit wordt dus voorzien in 49 sociale wooneenheden, onderverdeeld in 40 huurwoningen en 9 koopwoningen.
In het door de NV Vinesco te ontwikkelen gedeelte worden 5 kavels voorzien voor clusters van ééngezinswoningen (voor in totaal maximaal 17 grondgebonden woningen) en 11 kavels als ééngezinswoningen ingevuld onder een open of halfopen bebouwingsvorm (28 grondgebonden woningen in totaal dus), terwijl 5 meergezinswoningen worden gerealiseerd met 63 appartementen. In de totaliteit wordt dus voorzien in 91 door de private ontwikkelaar te realiseren wooneenheden.
Het wegenisdossier dat ter goedkeuring voorgelegd wordt en tot de exclusieve bevoegdheid van de gemeenteraad behoort, bevat minstens:
De verkavelingsaanvraag is gelegen deels binnen woongebied en deels gelegen binnen woonuitbreidingsgebied volgens het gewestplan Oudenaarde (KB 24/02/1977).
Met de aanvraag voor een omgevingsvergunningsaanvraag voor stedenbouwkundige handelingen wordt voorzien in wegenis- en omgevingsaanleg gelegen tussen het Wijnhuisveld – Groenstraat – Melegemstraat, conform het wegenis- en groenplan. Huidige ontwikkeling laat een restperceel (WUG) over dat gelegen is tussen de verkavelingsaanvraag, de Melegemstraat , Wijnhuisveld en de Alfred Amelotstraat. Door middel van onderhavige verkaveling wordt de restzone van het woonuitbreidingsgebied niet gehypothekeerd om te gaan ontwikkelen.
Naar aanleiding van de aanvraag tot het verkavelen van gronden (met wegenis) dient de gemeenteraad, conform art. 31 van het Omgevingsvergunningsdecreet, te beslissen over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van de gemeenteweg. De gemeenteraad spreekt zich uit over de ligging, de breedte en de uitrusting van de gemeenteweg, en over de eventuele opname in het openbaar domein. Hierbij wordt rekening gehouden met de doelstellingen en principes, vermeld in artikel 3 en 4 van het Gemeentewegendecreet;
De infrastructuurwerken die deel uitmaken van de aanvraag zijn enerzijds onder te verdelen in rioleringswerken/watergebonden werken en anderzijds de wegeniswerken/omgevingsaanleg.
De rioleringswerken/watergebonden werken bestaan erin te voorzien in: 01. Een RWA-stelsel binnen de verkaveling; 02. De verplaatsing van een waterloop 2de categorie “Stroomken” (OS249); 03. Construeren van een infiltratiebekken; 04. Aanleg van een centrale afwateringsgeul en 05. DWA stelsel. Bij de rioleringswerken is het belangrijk te weten dat het infiltratiebekken dat voorzien wordt binnen het project over gedimensioneerd is in functie van de heraanleg van de aanpalende straten (wegenproject) Groenstraat-Broekstraat-Melegemstraat.
1. Het oppervlaktewater van de verharde oppervlaktes binnen het toekomstig openbaar domein (verbindingswegen aangelegd in betonstraatstenen en cementbeton) wordt in eerste instantie opgevangen in verschillende wadi-zones verspreid over het terrein om alzo het oppervlaktewater maximaal ter plaatse te laten infiltreren. Op het laagste punt van elke wadi-zone wordt een overloopkolk geplaatst dewelke wordt aangesloten op het RWA-stelsel binnen het project. Dit RWA-stelsel wordt dan afgeleid naar het centrale infiltratiebekken.
Het infiltratiebekken wordt (over) gedimensioneerd op basis van: A. de aangesloten verharde oppervlaktes (overloop verschillende wadi-zones, verharde oppervlaktes van de kavels binnen het project à rato van 80m²/perceel de maximale bebouwbare oppervlaktes van de meergezinswoningen, alsook de verharde oppervlaktes van het wegenisdossier ‘Groenstraat-Broekstraat-Melegemstraat’. B. De infiltratiecapaciteit ter hoogte van het infiltratiebekken, waar door het Provinciaal centrum voor Milieu-onderzoek infiltratieproeven werden uitgevoerd in de omgeving van het infiltratiebekken (cfr. verslag M05/122/FS). Waaruit blijkt dat kan gerekend worden met een infiltratiecapaciteit van 20mm/u. C. Gecontroleerde lozing van het infiltratiebekken. Volgens de bepalingen van het Provinciebestuur Oost-Vlaanderen dient een gecontroleerde lozing van het bekken voorzien te worden en dit op 2/3 van de bovenzijde van de overstortdrempel van het bekken (cfr. bepalingen bovengrondse infiltratie- en buffervoorziening klasse 4 en 5 – lage grondwaterstand). De gecontroleerde lozing (d.m.v. wervelventiel) wordt in dit geval voorzien op niveau 11.733m daar waar de overstortdrempel zich bevindt op niveau 12.050m en de bodem van het bekken op niveau 11.050m.
Op basis van bovengenoemde parameters wordt een Sirio-berekening uitgevoerd van het infiltratiebekken. Deze berekening houdt rekening met een opeenvolging van buien en dit over een periode van 100 jaar. Indien het aantal overstorten kleiner is dan 5/100 jaar (of geen overstort bij T20) kan de dimensionering van het bekken aanvaard worden. Uit de berekening blijkt dat slechts 3 overstorten op 100 jaar te verwachten zijn waarbij 95% van het totale volume zal infiltreren en slechts 1% zal overstorten.
2. De provinciale waterloop OS249 loopt momenteel door het project waardoor een verplaatsing, in functie van het optimaal gebruik van de beschikbare gronden van de waterloop, noodzakelijk is. De waterloop zal daarom verplaatst worden langsheen de Groenstraat. De taluds van de waterloop zullen afgewerkt worden met schanskorven in blokvorm en matrasvorm. Deze schanskorven zullen versterkt worden door plaatsing van perkoenpalen dewelke verankerd worden in de ondergrond. Het gedeelte van de taluds boven de schanskorven zullen afgewerkt worden met een bio-degradeerbare geotextiel. De kruinbreedte van de waterloop bedraagt 5.0m.
3. Het RWA-stelsel van het WUG en het RWA-stelsel van het gemeentelijke project Groenstraat/Broekstraat/Melegemstraat evenals de overlopen van de wadi-zones zullen aangesloten worden op een nieuw te construeren infiltratiebekken (rekengegevens: zie voorgaande en bijlagen bij de nota). De taluds van het bekken worden voorzien onder een zwakke helling van 12/4. Deze taluds zullen ingezaaid worden en afgedekt worden met een bio-degradeerbaar geotextiel. Aan de voet van de taluds zal een teenversterking voorzien worden en dit d.m.v. plaatsing van schanskorven dewelke gestut worden door perkoenpalen dewelke verankerd worden in de ondergrond.
4. Doorheen het project zal vanaf de aansluiting met de Melegemstraat een afwateringsgeul aangelegd worden dewelke aansluit op het infiltratiebekken. In deze afwateringsgeul wordt tevens het RWA-stelsel van het gemeentelijke project opgevangen om voor dit project alzo ook de nodige buffering en infiltratie te kunnen voorzien in het nieuwe bekken. De taluds van de afwateringsgeul worden zeer “zwak” voorzien en de geul kan aanzien worden als een beperkte laagte (diepte 30cm) in de aansluitende groene omgeving. De taluds en de bodem van de geul zullen enkel ingezaaid worden.
5. Binnen het project wordt de aanleg voorzien van een 2DWA-stelsel en dit in grèsbuizen dia 250mm. Dit 2DWA-stelsel kan volledig gravitair aansluiten op het pompstation dat zal geconstrueerd worden langsheen de Melegemstraat. De bouw van dit pompstation maakt deel uit van het gemeentelijk project “Groenstraat / Broekstraat / Melegemstraat”. Het voorgestelde rioleringsstelsel voor dit project werd reeds tijdens de ambtelijke commissie van 21 maart 2017 goedgekeurd (VMM dossier nr. O215161). Voor het overige dienen er geen bijkomende maatregelen genomen te worden voor wat de aanleg van het DWA-stelsel betreft. T.h.v. elke kavel zal een DWA-huisaansluitingsputje worden voorzien.
De wegeniswerken/omgevingsaanleg bestaan erin te voorzien in 01. Een centrale ontsluitingsweg aansluitend op de Groenstraat; 02. Een ontsluitingsweg voor de brandweer tussen de voornoemde (01.) centrale ontsluitingswegen in aansluiting met de Groenstraat; 03. Zijwegen richting de woonentiteiten en toegang tot de parkeerzones; 04. Parkeerstroken; 05. Ontsluitingsweg voor de loten 7, 15 en 16 (MDP 5); 06. Diverse voetwegen doorheen het project; 07. De Groenaanleg.
Zoals aangeduid op het rooilijnplan zal “lot 0” met een totale oppervlakte van 25.394,36m² vrij, onbelast en kosteloos overgedragen worden aan het openbaar domein van de gemeente Kruisem. De NV Vinesco verbindt zich er tevens toe om de wegenis- en rioleringswerken alsook de omgevingsaanleg, waarvoor kostenraming werd opgemaakt, op eigen kosten aan te leggen. Bij de omgevingsvergunningsaanvraag werd hiertoe door de NV Vinesco een ondertekende verbintenis tot kosteloze grondafstand aan de gemeente Kruisem voor inlijving bij het openbaar domein gevoegd. Deze verbintenis wordt tevens als bijlage gevoegd bij onderhavige beslissing.
Aangezien de verkaveling uitgaat van een ontwikkeling met 140 woonentiteiten werd een mobiliteitstoets (≠MOBER) toegevoegd aan het dossier. De mobiliteitstoets laat toe om aan de hand van de beschikbare gegevens een beeld te vormen van de te verwachten mobiliteitseffecten. De verkaveling situeert zich ten (zuid)westen van de bestaande kern van Zingem en ten zuiden van het station van Zingem, waardoor al zeker kan gesteld worden dat de verkaveling naar voorzieningen en bereikbaarheid (volgens STOP-principe) heel goed scoort (cfr. VITO-kaarten provincie Oost-Vlaanderen). De voornaamste ontsluitingswegen voor het gemotoriseerd verkeer binnen de verkaveling worden voorzien op de Groenstraat, voor het gemotoriseerd verkeer binnen de verkaveling. Voor de trage weggebruikers worden er bijkomend 3 toegangen op Wijnhuisveld en 2 toegangen richting de Melegemstraat voorzien. Binnen de verkaveling worden nog een aantal fiets- en voetgangersdoorsteken voorzien die de verkaveling verbinden met de omliggende straten/woonwijken. Het parkeren binnen de verkaveling wordt op 3 manieren opgevangen, in kleine parkeerhavens, op eigen terrein voor enkele grondgebonden woningen en ondergronds (loten 13&14).
Gelet op de aanwezige infrastructuur en netwerk in en rond de projectlocatie kan gesteld worden dat de verkaveling vlot bereikbaar is voor de verschillende verkeersmodi (Stappers, Trappers, Openbaar vervoer en Privaat vervoer). Uit het mobiliteitsprofiel, dat zich baseert op een inschatting, blijkt dat de verkaveling na realisatie zal leiden tot 826 verplaatsingen door bewoners en bezoekers. De voornaamste vorm van verplaatsing blijft de wagen met 414 verplaatsingen per dag waarbij de ochtend- en avondspits de meeste verplaatsingen genereren. In de mobiliteitsstudie wordt de confrontatie weergegeven tussen het bereikbaarheidsprofiel en het mobiliteitsprofiel, hieruit worden de te verwachten effecten en knelpunten weergegeven. Er wordt geconcludeerd dat “de nieuwe woonwijk een geringe impact zal hebben op het verkeer in het centrum van Zingem. In de Groenstraat en de Kruishoutemsesteenweg blijven de intensiteit laag. Ook het voorrangsgeregeld kruispunt zal normaal functioneren. Enkel bij het neergaan van de slagbomen zal het verkeer stilstaan en zal er enige tijd nodig zijn om het kruispunt te ontruimen. Dit leidt gelet op de beperkte intensiteiten niet tot significante problemen.” Uit de confrontatie van het bereikbaarheidsprofiel met het mobiliteitsprofiel blijkt dat er t.g.v. het project geen problemen verwacht worden. De ontsluiting van de site voor de verschillende modi is goed. De verwachte intensiteiten blijven binnen de maximale (theoretische) parameters. Dwingende milderende maatregelen zijn in het kader van het project dan ook niet noodzakelijk.
De (conclusies van de) mobiliteitstoets kan/kunnen niet volledig gevolgd worden. Vooreerst (01) dient opgemerkt te worden dat de mobiliteitstoets een heel theoretisch model betreft die zich ook op reeds gedateerde gegevens en waarnemingen (2019) baseert. Niettegenstaande de gedateerde waarnemingen/gegevens kunnen deze evenwel geëxtrapoleerd worden naar de huidige context zodat toch een inschatting van de mobiliteitseffecten van de verkaveling op de omliggende wegen en verschillende modi kan gemaakt worden. De mobiliteitstoets geeft wel terecht aan dat de verkaveling, naast het uitstekende voorzieningenniveau, ook een goede bereikbaarheid kent zowel op meso als micro niveau. Uit de confrontatie tussen het bereikbaarheidsprofiel en het mobiliteitsprofiel blijkt dat de verkaveling een geringe (te ondervangen) impact (cijfermatig) heeft op de bestaande (omliggende) wegenis en verschillende verkeersmodi. Waarbij rekening gehouden werd toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen (WUG in Asper) en de (gesloten) overweg. Evenwel (02) wordt de impact van de verkaveling op de fietssnelweg in de mobiliteitstoets onderbelicht, zeker bij het aftoetsen ervan aan de doelstellingen/principes van het gemeentewegendecreet zoals opgenomen in artikelen 3&4 van voornoemd decreet. Aangezien er op heden geen verkeer wordt ontsloten vanuit het plangebied op de Groenstraat/fietssnelweg (F45) en er in de toekomst tot 826 verplaatsingen per dag worden gegenereerd vanuit de verkaveling, waarvan 414 verplaatsingen per dag met de wagen kan bezwaarlijk gesproken worden dat dit geen impact heeft of zal hebben op de (veiligheid van) de fietssnelweg. Om hieraan tegemoet te komen zal (zoals gesuggereerd wordt in de mobiliteitstoets) de Groenstraat ingericht moeten worden als fietsstraat in afwachting van het voorzien van een volwaardige aparte fietsbedding. De ontwikkeling van het binnengebied met bijkomende dynamiek en extra verkeersbewegingen noodzaakt immers een veilige herinrichting van de Groenstraat. De mogelijke conflictpunten met de fietssnelweg moeten tot een minimum worden herleid. De herinrichting van de bovenbouw en het verkeersveilig maken van de Groenstraat worden als last bij het afleveren van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van de gronden gekoppeld aan de ontwikkeling van het binnengebied. Het parkeren (03a) binnen de verkaveling wordt opgevangen op 3 manieren, nl op eigen terrein voor de grondgebonden woningen, in parkeerhavens en ondergronds. Behoudens de reeds achterhaalde cijfers die opgenomen zijn in de mobiliteitstoets dient ook opgemerkt dat de voorschriften het (nu nog vrijblijvend) mogelijk maken om nevenfuncties (voorwaarde PRIAK om te gaan voorzien in meervoudig ruimtegebruik) te gaan voorzien binnen de verschillende loten van de verkaveling (muv de sociale loten). Gelet op het gedateerde cijfermateriaal en de parkings nodig voor de nevenfuncties dienen al minstens voor wat betreft de loten 15&16 voorzien te worden in ondergronds parkeren. In de mobiliteitstoets is geen sprake van het voorzien in een deelwagensysteem (03b) , nochtans is er gelet op de invulling van de verkaveling (deels sociaal), de nabijheid van het station, uit duurzaamheidsoverwegingen en de doelstellingen vanuit het lokaal energie- en klimaatplan (werf 3) nood aan een deelwagensysteem. Gelet op de grootte van het project en ook het aandeel (35% van aantal loten) sociale woningen (waar autoaankoop/-bezit minder evident is) is hier het voorzien/opleggen van minstens 5 deelwagens zéker te verantwoorden (dit zal als last binnen de verkaveling opgelegd worden). Tot slot is er (03c), gelet op de ligging van de verkaveling nabij het station, nood aan een aangepast parkeerregime binnen de verkaveling aangezien pendelaars van het station anders de (publieke) parkeerplaatsen binnen de verkaveling dreigen in te nemen. Dit is een rechtstreeks gevolg van het betalend maken van de stationsparkings in de naburige gemeente(n). Dit zal het onderwerp uitmaken van een nog aanvullend politiereglement waarvoor ook de gemeenteraad bevoegd is.
Het opgemaakte en toegevoegde rooilijnplan bij de omgevingsvergunningsaanvraag voldoet aan de vormvereisten zoals opgenomen in artikel 16 van het gemeentewegendecreet. De eigenaarstabel van de nog niet goedgekeurde rooilijn wordt opgenomen op het bijgevoegde plan alsmede de nieuwe/te behouden en af te schaffen rooilijnen en de vermelding van de sectie, nummers en oppervlakte van de percelen en onroerende goederen. De toekomstige openbare wegenis valt onder de lastenregeling, waarbij de verdeling van de kosten opgenomen is volgens de kostenraming.
Bij de aanvraag werd een technisch dossier gevoegd voor de aanleg van de wegeniswerken/omgevingsaanleg en de rioleringswerken/watergebonden werken. Het dossier omvat onder meer een wegenisplan, rioleringsplan, groenplan, grondplan, modeldwarsprofielen, typedwarsprofielen, de lengte- en dwarsprofielen, de elementen met betrekking tot de waterhuishouding en waterbuffering/-infiltraties, lastenboek en infrastructuur, raming en technische beschrijving.
Openbaar onderzoek
Conform artikel 31 van het Omgevingsvergunningsdecreet dient het college van burgemeester en schepenen de gemeenteraad bijeen te roepen om te beslissen over de aanleg (…) van de gemeenteweg.
Gelet op artikel 47 van het Besluit van de Vlaamse regering tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning dd. 27 november 2015, wat bepaalt dat de gemeenteraad kennis neemt van de standpunten, opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek en meer bepaald deze met betrekking tot de aanleg (…) van een gemeenteweg.
De aanvraag werd onderworpen aan een openbaar onderzoek van 10 februari 2023 tot en met 11 maart 2023. Er werden 7 bezwaarschriften ingediend. De bezwaarschriften werden gedurende het openbaar onderzoek ingediend en zijn dan ook ontvankelijk.
Samenvatting van de bezwaarschriften
Onderstaand een samenvatting van de bezwaarschriften die enkel betrekking hebben op de aanleg van de wegenis (in het algemeen) of mobiliteit waarvoor de gemeenteraad bevoegd is een uitspraak te doen. De andere aspecten van de bezwaarschriften worden behandeld door het college van burgemeester en schepenen in het kader van de omgevingsvergunningsaanvraag.
Evaluatie van de bezwaarschriften
De gemeenteraad heeft de bevoegdheid zich uit te spreken over de keuze van de wegverharding en de bestrating, de weguitrusting en de nutsleidingen, de aanleg van trottoirs en wegboorden, de ligging en de breedte van de weg, de breedte van de verharding, de ontsluitingsgraad en het aantal publieke parkeerplaatsen, de riolering en de waterhuishouding op het openbaar domein.
De gemeenteraad heeft niet de bevoegdheid zich uit te spreken over de goede ruimtelijke ordening maar uitsluitend op de inpasbaarheid van de nieuwe wegenis in het globale gemeentelijke wegennet (rekeninghoudend met de doelstellingen en principes zoals opgenomen in artikel 3&4 van het gemeentewegendecreet) en het effect van de wegenis op de mobiliteit, de verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid.
De bezwaren worden dan ook vanuit dat oogpunt behandeld. De stedenbouwkundig gerelateerde bezwaren worden behandeld door het college als vergunningverlenende overheid in het kader van der vergunningsprocedure.
1.Uit de mobiliteitstoets blijkt dat er in het buitengebied (waartoe Zingem behoort) 1,27 auto’s per gezin zijn en er voor sociale woningen kan uitgegaan worden van gemiddeld 1 auto per gezin. De realisatie van de woonwijk zal leiden tot 826 verplaatsingen door bewoners en bezoekers. Vierenzestig verplaatsingen zullen te voet gebeuren en 118 verplaatsingen per fiets. Het openbaar vervoer zal leiden tot 31 verplaatsingen. Het grootst aantal verplaatsingen zal met de wagen gebeuren. In totaal zullen er 414 verplaatsingen met de wagen gebeuren. Deze gebeuren gespreid over de dag met de grootste concentratie tijdens de spitsuren (tussen 8u en 9u + 17u en 18u).
In de mobiliteitstoets werd tevens rekening gehouden met een bijkomende ontwikkeling te Asper (WUG Ommegang) en een verdeling van het verkeer richting kruispunt Kruishoutemsesteenweg-Groenstraat, waarbij 70% van het gemotoriseerd verkeer richting N60 rijdt en 30% richting centrum Zingem.
De Kruishoutemsesteenweg is een lokale weg type I en de Groenstraat een lokale weg type III. Dit betekent dat er (volgens de theoretische capaciteit en de capaciteit in functie van de verkeersleefbaarheid van verschillende categorieën van wegen (zie mobiliteitsstudie pag. 36)) capaciteit is van respectievelijk 650 pae (PersonenAutoEquivalent) en 250 pae per uur per richting.
In de ochtendspits betekent dit voor de Kruishoutemsesteenweg 377 pae, waarbij de verhouding intensiteit/capaciteit 58% bedraagt. Voor de Groenstraat 80 pae, waarbij de verhouding intensiteit/capaciteit 33% bedraagt. Voor de Stationsstraat 65 pae, waarbij de verhouding intensiteit/capaciteit 26 %bedraagt. Vermits nergens de verhouding van 90% overschreden wordt, wordt geen congestie verwacht in de straten.
In de avondspits betekent dit voor de Kruishoutemsesteenweg 397 pae, waarbij de verhouding intensiteit/capaciteit 61% bedraagt. Voor de Groenstraat 73 pae, waarbij de verhouding intensiteit/capaciteit 30% bedraagt. Voor de Stationsstraat 96 pae, waarbij de verhouding intensiteit/capaciteit 38 %bedraagt. Vermits nergens de verhouding van 90% overschreden wordt, wordt geen congestie verwacht in de straten.
Met betrekking tot de wachttijden valt af te leiden dat de avondspits drukker is. Dit leidt tot langere wachttijden op de takken die voorrang moeten geven. In de huidige situatie bedraagt de wachttijd 15 tot 16 seconden. Indien rekening gehouden wordt met de bijkomende woonontwikkelingen in Gavere en Zingem dan is er een beperkte toename aan de wachttijd met 2 seconden. Door het beperkte verkeer op de dwarstakken blijven de wachtrijen minimaal.
Het kruispunt situeert zich op zeer korte afstand van de spoorwegovergang. Dit heeft zijn implicaties op de werking van het kruispunt.
De spoorwegovergang sluit gemiddeld 2 x per uur. In een spitsuur sluit de spoorwegovergang 4x per uur. Er werd een tijdsopname uitgevoerd van de gesloten overweg. Het tijdstip werd gekozen om 17u20 omdat dan in beide richtingen een trein aankomt en de overweg het langst gesloten is. De overweg is in dit geval 2 min 40 seconden gesloten. Deze situatie komt slechts 2 x per dag voor. Dit leidt tot een toename van de wachtrijen in de Kruishoutemsesteenweg, Stationsstraat en Groenstraat.
In de ochtendspits zullen in de toekomst 377 voertuigen per uur over de spoorwegovergang rijden richting N60. In de omgekeerde richting bedraagt dit 214 voertuigen. Dit leidt tot volgende wachtrijen:
Kruishoutemsesteenweg richting N60: 17 voertuigen of een lengte van 110 m.
Kruishoutemsesteenweg richting Zingem: 10 voertuigen of een lengte van 65 m.
Groenstraat: 4 voertuigen of een lengte van 25 m
Stationsstraat: 4 voertuigen of een lengte van 25 m.
Hierbij werd eveneens rekening gehouden met het feit dat de Groenstraat en Stationsstraat, na het openen van de slagbomen, moeten wachten totdat de Kruishoutemsesteenweg volledig ontruimd is (voorrangsweg). Het ontruimen van de hoofdweg duurt tot 30 seconden na het openen van de slagbomen. Nadien duurt het ontruimen van de zijtak in de Groenstraat nog 60 seconden. Ondanks de kortere wachtrij dan de hoofdtak is de ontruimingstijd in de Groenstraat langer omdat voorrang moet verleend worden aan de hoofdtak. Na het openen van de slagbomen is het kruispunt volledig ontruimd in 90 seconden.
In de avondpits zullen in de toekomst 266 voertuigen per uur over de spoorwegovergang rijden richting N60. In de omgekeerde richting bedraagt dit 461 voertuigen. Dit leidt tot volgende wachtrijen:
Kruishoutemsesteenweg richting N60: 12 voertuigen of een lengte van 80 m.
Kruishoutemsesteenweg richting Zingem: 21 voertuigen of een lengte van 135 m.
Groenstraat: 2 voertuigen of een lengte van 13 m
Stationsstraat: 4 voertuigen of een lengte van 25 m.
Hierbij werd eveneens rekening gehouden met het feit dat de Groenstraat en Stationsstraat, na het openen van de slagbomen moeten wachten totdat de Kruishoutemsesteenweg volledig ontruimd is (voorrangsweg). Het ontruimen van de hoofdweg duurt tot 40 seconden na het openen van de slagbomen. Nadien duurt het ontruimen van de zijtak in de Groenstraat nog 40 seconden. Ondanks de kortere wachtrij dan de hoofdtak is de ontruimingstijd in de Groenstraat langer omdat voorrang moet verleend worden aan de hoofdtak. Na het openen van de slagbomen is het kruispunt volledig ontruimd in 80 seconden.
Concluderend kan aldus gesteld worden dat zowel het druktebeeld ter hoogte van het kruispunt Kruishoutemsesteenweg-Groenstraat als de wachttijden ter hoogte van het kruispunt aanvaardbaar zijn. De nabijheid van de spoorwegovergang zorgt er wel voor dat er langere wachtrijen zullen ontstaan bij neergelaten slagbomen. De situatie met de wachtrijen is een typisch en logisch fenomeen t.h.v. de spoorwegen. Het aantal maal dat de slagboom dicht gaat en de drukte op de Kruishoutemsesteenweg bijgevolg toeneemt, zijn niet van die aard dat dit tot een onaanvaardbare situatie zou leiden. Bovendien heeft het project hier een minimale impact op. De maximale verkeersgeneratie per uur (76 pae/u) in combinatie met de maximale wachttijd (uitzonderlijk wanneer twee treinen tegelijk aankomen) bij een gesloten overweg leidt er toe dat op kruispunt 42 in plaats van 39 voertuigen zullen aanschuiven (alle takken samen).
De beveiliging van het kruispunt, los van het aantal vervoersbewegingen, hoort toe tot de wegbeheerder en kan niet opgelegd/afgedwongen worden aan de aanvrager. Openbare veiligheid is in eerste instantie een gemeentelijke bevoegdheid, waarbij de gemeente in samenspraak met de wegbeheerder oplossingen moet zoeken om het kruispunt verkeersveilig te maken. Dit aspect (verkeersveiligheid) kan niet afgeschoven worden op private personen, dit is een expliciete bevoegdheid van de (lokale) overheid (cfr. artikel 135 van de Nieuwe Gemeenteweg).
2. Het project wordt ontsloten via de Groenstraat. Het project takt aan op de Groenstraat via 2 ontsluitingswegen. De noordelijke weg ontsluit 95 woningen. De zuidelijke weg ontsluit 45 woongelegenheden. Beide ontsluitingswegen worden niet met elkaar verbonden. Er is enkel een verbinding mogelijk in geval van calamiteiten. De ontsluitingswegen hebben een doodlopend karakter en worden ontworpen met een wegbreedte van 5 m.
De Groenstraat is net zoals de nieuw aan te leggen ontsluitingswegen binnen de verkaveling is in de (oude) wegencategorisering geselecteerd als lokale weg type III. In de nieuwe wegencategorisering als lokaal wegennet (erftoegangswegen). De capaciteit van deze wegen bedraagt tot 250 pae per uur. Aangezien de noordelijke weg 95 woningen ontsluit, waarvan 49 sociale woonentiteiten wordt een maximale pae van 108 voertuigen verwacht, wat binnen de norm is. De verhouding intensiteit/capaciteit bedraagt 43,2%. Bijgevolg wordt de bijkomende intensiteit aanvaardbaar geacht en valt dit binnen een acceptabel niveau.
3. De mogelijkheden met betrekking tot de aanleg van een tunnel (voor de Kruishoutemsesteenweg) werden reeds in een bilateraal overleg met de wegbeheerder (AWV) en NMBS bekeken. Hieruit bleek dat het technisch onhaalbaar is om te voorzien in een tunnel voor de Kruishoutemsesteenweg gelet op de bocht die Kruishoutemsesteenweg maakt net na het station, ter hoogte van de Zandstraat en de nodige hellingsgraad. Dit is dus overwogen maar werd niet weerhouden als valabele optie.
4. Dit betreft geen bewaar maar is meegegeven als opmerking in het bezwaarschrift. De bedoeling van de aanvrager is om op de bestaande trage verbindingen, die buiten de verkaveling gelegen zijn en reeds aangelegd zijn, aan te sluiten met voorzieningen in functie van trage weggebruikers binnen de verkaveling. Het idee erachter is om het traag verkeer op een zo veilig mogelijke manier richting centrum of station te begeleiden, gebruikmakend van het reeds aanwezig netwerk (in Wijnhuisveld).
De bestaande verkaveling in Wijnhuisveld voorzag reeds in (doodlopende) trage verbindingen in richting de huidige verkaveling waardoor eigenlijk al geanticipeerd werd op een mogelijk ontwikkeling van het huidige projectgebied (en aansluiting).
5. Wat betreft mobiliteit werd een mobiliteitstoets opgemaakt waarbij geconcludeerd kan worden dat de impact van de verkaveling op de bestaande weginfrastructuur (impact op bestaande wegencategorisering) en de bijhorende wachttijden aanvaardbaar zijn (zelf in combinatie met een – gesloten – overweg). Zie ook supra. De bijkomend gegenereerde verkeersbewegingen en verkeersintensiteiten werden in kaart gebracht op verschillende piekmomenten en worden aanvaardbaar geacht. Ze vallen binnen een acceptabel niveau.
6. Het is onduidelijk wat hiermee wordt bedoeld. Sinds 7 januari 2023 is er een frequentieverhoging voor Lijn 59 (Kruishoutem – Waregem). Vanaf 23 juli 2023 zal er voor diezelfde Lijn (59) een doortrekking zijn via Lozer tot in Gavere. Deze wijzigingen hebben alvast geen negatieve impact op het project.
De nieuwe mobiliteitsvisie op Vlaams niveau bestaat erin te gaan voorzien in het concept van basisbereikbaarheid. Met die nieuwe mobiliteitsvisie zet Vlaanderen in op efficiënter openbaar vervoer, afgestemd op het fiets- en wegennetwerk. Trein, bus en tram blijven vaste waarden. Drukke verbindingen worden met snellere en frequentere Lijnbussen en -trams beter bediend. Op plaatsen waar er minder vraag is naar openbaar vervoer wordt er ingezet op flexvervoer. Het uitgangspunt is dat scholen, ziekenhuizen, sportcentra, bedrijfsterreinen, cultuurcentra en winkelcentra vlot bereikbaar zijn voor iedereen.
Zo worden vaker verschillende vervoersmiddelen om de route af te leggen gecombineerd. Overstappen is voorzien in een Hoppinpunt, een knooppunt van verschillende vervoersmiddelen. In de toekomst zullen er ter hoogte van het station en het gemeentehuis van Zingem zogenaamde Hoppinpunten ingericht worden. Hoppin bundelt vervoersoplossingen in Vlaanderen en wil pendelaars stimuleren om verschillende vervoermiddelen te combineren om eenvoudig op hun bestemming te geraken. De Hoppinpunten zullen zorgen voor een vlotte overstap van het ene op het andere vervoermiddel.
Er is helemaal geen sprake van het sluiten van de spooroverweg ter hoogte van de Kruishoutemsesteenweg – Groenstraat – Stationsstraat. Hoogstens de overweg Biesstraat (Gavere) zal gesloten worden. Hierdoor zal er beperkt meer verkeer afgewend worden richting het kruispunt Kruishoutemsesteenweg – Groenstraat – Stationsstraat. Met dit verkeer alsook met mogelijke ontwikkelingen die zich in Asper/Gavere bevinden werd in de mobiliteitstoets reeds rekening gehouden.
Onder punt 6.4. “Gemotoriseerd verkeer” van de mobiliteitsstudie wordt en inschatting gemaakt van de verkaveling op de intensiteit/capaciteit van de Groenstraat – Kruishoutemsesteenweg alsook de wachttijden op het Kruispunt Groenstraat – Kruishoutemsesteenweg. Hierbij wordt eveneens rekening gehouden met de verdere invulling van het woongebied in de Groenstraat en met de ontwikkeling van het woonuitbreidingsgebied Ommegangstraat in Asper. Er wordt immers verwacht dat een deel van het verkeer van dit woonuitbreidingsgebied ook via het kruispunt Kruishoutemsesteenweg/Ommegangstraat zal afgewenteld worden. In dit onderzoek is rekening gehouden met de realisatie van 50 woningen. Dit leidt 142 autobewegingen. Hierbij wordt uitgegaan dat 60% van het verkeer richting Gavere afgewenteld wordt, 30% via het kruispunt Kruishoutemsesteenweg/Stationsstraat en 10% via de rotonde Kruishoutemsesteenweg/Alfred Amelotstraat. In de ochtend- en avondspits leidt dit tot 26 bijkomende voertuigen op het kruispunt Kruishoutemsesteenweg/Stationsstraat. Deze intensiteiten werden mee opgenomen in het onderzoek.
Concluderend kan gesteld worden dat met betrekking tot het openbaar vervoer de bestaande situatie behouden of versterkt wordt. Door de aanwezigheid/behoud van het station en de toekomstige realisaties van de hoppinpunten nabij het station en het administratief centrum zal er een verbeterde basisbereikbaarheid zijn met het openbaar vervoer. Aldus is bij de realisatie van de verkaveling maximaal rekening gehouden met de (basis)bereikbaarheid van de verkaveling met het openbaar vervoer en kan aldus vanuit het oogpunt van openbaar vervoer gesteld worden dat de invulling/ontwikkeling gerechtvaardigd is. Tot slot wordt verwezen naar het advies van De Lijn dd. 14/02/2023 dat gedurende de procedure werd ontvangen: “Geen bezwaren”.
7. Niettegenstaande de cijfers van de mobiliteitstoets zich baseren op metingen van 8 januari 2019 (4 jaar geleden) is er geen reden om aan te nemen dat er grote verschillen optreden met de data/gegevens die op vandaag beschikbaar zouden zijn aangezien er geen projecten (noch op gebied van wonen, noch op een ander gebied of een combinatie van functies) gerealiseerd zijn die een impact zouden kunnen hebben op de cijfers.
In de mobiliteitstoets is er aan de hand van 3 criteria onderzocht welke ontsluitingsweg primair zal gebruikt worden van en naar de nieuwe ontwikkeling, dit blijkt de ontsluiting op de Groenstraat naar de Kruishoutemsesteenweg te zijn. Ook de herkomst en bestemming van het verkeer werd onderzocht (pg 26 e.v. van de mobiliteitsstudie) waarbij rekening gehouden met de belangrijkste tewerkstellingspolen (woon-werk verkeer) en met de centrumfuncties in de kern van Zingem. Vermits de kern van Zingem op wandel- en fietsafstand ligt, zal een groot deel van de verplaatsingen te voet of met de fiets gebeuren. De reisweg i.f.v. reistijd werd berekend voor Oudenaarde (zuiden), Gent (noorden), Zottegem (oosten) en de dorpskern van Zingem (oosten). In de ochtendspits wordt volgende verhouding aangenomen:
40% rijdt richting Oudenaarde waarvan 30% via de Kruishoutemsesteenweg en 10% via het kruispunt Melegemstraat – Alfred Amelotstraat
40% rijdt richting Gent via Kruishoutemsesteenweg
10% rijdt richting Zottegem via het kruispunt Melegemstraat – Alfred Amelotstraat
10% rijdt naar Zingem-centrum gelijk verdeeld over de twee reiswegen (elk 5%).
In de avondspits leidt dit tot de omgekeerde beweging.
Algemeen kan dus gesteld worden dat ca; 75% van het inkomende en vertrekkende verkeer via de Groenstraat en de Kruishoutemsesteenweg zal rijden, wat een terecht uitgangspunt lijkt te zijn om rekening met te houden.
Het klopt dat door het betalend maken van de parking aan het station van Oudenaarde (in opdracht van NMBS) er meer pendelaars afzakken naar de (voorlopig) gratis randparkings in omliggende stations. Het kan niet de bedoeling zijn dat de parkeerplaatsen die voorzien worden in de verkaveling ingenomen worden door pendelaars. Mits het opleggen van een parkeerregime -waarvoor GR bevoegd is en kan opgelegd worden in een aanvullend politiereglement dat kan goedgekeurd worden door de gemeenteraad- (blauwe zone, kortparkeren, bewonerskaarten, …) kunnen de parkeerplaatsen in de verkaveling voorbehouden worden voor bewoners, bezoekers, klanten.
De wachttijden ter hoogte van het kruispunt Groenstraat-Kruishoutemsesteenweg werden berekend aan de hand van PTV Vistro, een speciaal ontwikkeld softwarepakket om verkeersanalyses uit te voeren. Concluderend kan aldus gesteld worden dat zowel het druktebeeld ter hoogte van het kruispunt Kruishoutemsesteenweg-Groenstraat als de wachttijden ter hoogte van het kruispunt aanvaardbaar zijn. De nabijheid van de spoorwegovergang zorgt er wel voor dat er langere wachtrijen ontstaan bij neergelaten slagbomen. De situatie met de wachtrijen is een typisch en logisch fenomeen t.h.v. de spoorwegen. Het aantal maal dat de slagboom dicht gaat en de drukte op de Kruishoutemsesteenweg bijgevolg toeneemt, zijn niet van die aard dat dit tot een onaanvaardbare situatie zou leiden. Bovendien heeft het project hier een minimale impact op. De maximale verkeersgeneratie per uur (76 pae/u) in combinatie met de maximale wachttijd (uitzonderlijk wanneer twee treinen tegelijk aankomen) bij een gesloten overweg leidt er toe dat op kruispunt 42 in plaats van 39 voertuigen zullen aanschuiven (alle takken samen).
De beveiliging van het kruispunt, los van het aantal vervoersbewegingen, hoort toe tot de wegbeheerder en kan niet opgelegd/afgedwongen worden aan de aanvrager. Openbare veiligheid is in eerste instantie een gemeentelijke bevoegdheid waarbij de gemeente in samenspraak met de wegbeheerder oplossingen moet zoeken om het kruispunt verkeersveilig te maken. Dit aspect (verkeersveiligheid) kan niet afgeschoven worden op private personen, dit is een expliciete bevoegdheid van de (lokale) overheid (cfr. artikel 135 van de Nieuwe Gemeenteweg).
De mobiliteitsstudie stelt dat de realisatie van de woonwijk zal leiden tot 826 verplaatsingen door bewoners en bezoekers. 64 verplaatsingen zullen te voet gebeuren en 118 verplaatsingen per fiets. Het openbaar vervoer zal leiden tot 31 verplaatsingen. Het grootst aantal verplaatsingen zal met de wagen gebeuren. In totaal zullen er 414 verplaatsingen met de wagen gebeuren. Deze gebeuren gespreid over de dag met de grootste concentratie tijdens de spitsuren. In de ochtendspits (werkweek) tussen 7u en 9u worden 123 uitgaande verplaatsingen verwacht, tegen 14 inkomend verplaatsingen. In de avondspits (werkweek) tussen 19 en 19u worden 96 inkomende verplaatsingen verwacht en, tegen 39 uitgaande verplaatsingen. Deze gegevens worden door de bezwaarindiener betwist, die stelt dat er (na eigen berekeningen) zowel ’s ochtends als ’s avonds 184 verplaatsingen zijn. Ongeacht of de berekeningen van de bezwaarindiener (meer) correct zouden zijn dan de berekeningen die opgenomen zijn in de mobiliteitstoets kan al zeker vastgesteld worden dat zowel de Groenstraat (Lokale weg type III) met een pae tot 250 voertuigen per uur als de Kruishoutemsesteenweg (lokale weg type I) met een pae tot 650 voertuigen per uur de bijkomende mobiliteitsimpact (volgens de data/gegevens/berekeningen van de bezwaarindiener) kunnen opvangen (volgens het berekeningsmodel zoals opgenomen op pg. 36 van de mobiliteitsstudie).
8. Er worden 141 bovengrondse parkeerplaatsen voorzien en 28 ondergrondse parkeerplaatsen. Met 22 parkeerplaatsen op eigen grond (twee per woning voor de loten 18 tot en met 28) komt men in totaliteit op 191 parkeerplaatsen.
Afgaand op het stijgend aantal wagens per huishouden (tot 1,356783/huishouden > 1,14 volgens het Vlaams gemiddelde) kan alvast volgende berekening gemaakt worden. Aangezien dit een gemiddelde betreft dient er ook een onderscheid gemaakt te worden tussen de verschillende doelgroepen en kan aangenomen worden dat het gemiddelde voor bewoners van sociale huisvesting lager ligt dan de gemiddelden voor de privatieve woningen. Maar dat hiertegenover wel een aanbod moet staan dat voorziet in deelwagens, waarover in de mobiliteitstoets niets over opgenomen is.
Voor de 49 sociale woningen kan aangenomen worden dat 1 wagen per huishouden aanneembaar is (aangevuld door o.a. segment deelwagens). Aangevuld met 0,25pp/huishouden voor bezoekers. Dit geeft een totaal van 49 + 13= 62 benodigde parkeerplaatsen.
Voor de privatieve woningen waarbij het parkeren collectief/ondergronds voorzien wordt, dient er uitgegaan te worden van (worst case) 1,356783 pp/huishouden + 0,25 pp/huishouden voor bezoekers. Dit geeft een totaal van 109 + 20= 129 benodigde parkeerplaatsen.
In totaal zouden er bijgevolg 191 parkeerplaatsen moeten worden voorzien ten behoeve van het wonen in de verkaveling (sociale woningen en de privatieve woningen). Dit cijfer is exclusief de loten die op eigen terrein voorzien in opvang van de parkeerbehoefte (loten 18 t.e.m. 28).
De voorschriften (en de voorwaarde uit de PRIAK) laten/verplichten (voorwaarde) er evenwel toe om ook nevenfuncties te gaan voorzien binnen de verkaveling (de verkavelaar geeft hierbij -althans in de feite- invulling aan het gegeven van “meervoudig ruimtegebruik” zoals opgenomen in de voorwaarden van de PRIAK – zie supra). Aangezien in 50% van de loten minstens moet voorzien worden in een vergunningsplichtige nevenfunctie (28 loten – 7 sociale loten = 21 loten aan 50%= 10 loten aan minstens 100m²= minimaal 1.000m² bvo). Indien rekening gehouden wordt met de kencijfers uit het richtlijnenboek MOBER dienen er 19 parkeerplaatsen/500m² bvo voor kantoren voorzien te worden. Voor de totaliteit van de nevenfuncties dienen bijgevolg afgerond 40 parkeerplaatsen voorzien te worden.
In totaliteit is er aldus nood aan 191 + 40 = 231 parkeerplaatsen. Waarbij thans voorzien wordt in 141 + 28 = 169 parkeerplaatsen, een tekort van 62 parkeerplaatsen. Om het tekort op te vangen kan/moet gebruik gemaakt worden van de mogelijkheid tot het voorzien van ondergrondse parkeerplaatsen bij de loten 15 en 16 waardoor (indien er 1 op 1 ondergronds wordt voorzien) er (minstens) 26 parkeerplaatsen bijkomend voorzien worden. Waardoor nog (mathematisch althans en volgens voorgaande berekeningen) voorzien moet worden in 36 parkeerplaatsen.
Een bijkomende voorwaarde uit de goedgekeurde PRIAK (Dep. 12/07/2018) is dat “het autogebruik beperkt wordt tot een absoluut minimum vanuit het duurzaamheidsoogpunt en klimaatgezondheid zodat de ideale ligging van het gebied in functie van openbaar vervoer ten volle benut wordt.” Gelet op de inplanting van de verkaveling in de nabijheid van het station (regionaal hoppinpunt) kan inderdaad verwacht worden dat (anders dan bij een gelijkaardige ontwikkeling niet in de nabijheid van een station) er wel degelijk bewoners ook actief gebruik zullen maken van het openbaar vervoer. Vanuit duurzaamheidsoogpunt (cfr. ook artikel 1.1.4 van de VCRO), nood aan nog (mathematisch) 36 parkeerplaatsen en de doelstellingen die volgen uit het lokaal energie- en klimaatplan (werf 3) wordt er in navolging van het standpunt van het college van burgemeester en schepenen (CBS 06/03/2023) inzake het voorzien van deelwagens in verkavelingsprojecten bijkomend (als last bij de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden) voorzien in deelwagens binnen het project. Bij het implementeren van een autoluw project moet het stop-principe (stappers-trappers-openbaar vervoer-personenwagens) gerespecteerd worden en kan een mindering van het aantal parkeerplaatsen zéker worden aanvaard voor zover er dan voor de bewoners (en in functie van de andere functies dan wonen die voorzien kunnen worden) minstens deelwagens beschikbaar zijn. Er wordt geredeneerd dat men 5-8 parkeerplaatsen minder kan voorzien per deelwagen die wordt voorzien in een project. Gelet op de grootte van het project en ook het aandeel (35% van aantal loten) sociale woningen (waar autoaankoop/-bezit minder evident is) is hier het voorzien/opleggen (als last bij de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden) van minstens 5 deelwagens zéker te verantwoorden. Door het voorzien van 5 deelwagens kunnen aldus tot maximaal 40 parkeerplaatsen ondervangen worden, wat ook de mathematische nood aan parkeerplaatsen volledig zou ondervangen.
Door het verplicht te gaan voorzien in ondergrondse parkeergarages voor de loten 15 en 16 (met minimum 26 parkeerplaatsen) en het voorzien van 5 deelwagens binnen de verkaveling kan de parkeernood van de bewoners, functies andere dan wonen (nevenfuncties) én bezoekers/klanten/medewerkers binnen de verkaveling opgevangen worden.
De bezwaarschriften zijn ontvankelijk en gegrond in de mate zoals bovenstaand aangegeven, waarbij:
Met betrekking tot het vrijwaren van de (publieke) parkeerplaatsen binnen de verkaveling voor bewoners/bezoekers/klanten/werknemers zal er een aanvullend politiereglement moeten opgemaakt worden. Dit politiereglement is een bevoegdheid van de gemeenteraad en kan opgemaakt worden vóór de definitieve oplevering van de wegenis binnen de verkaveling.
Door het verplicht te gaan voorzien in ondergrondse parkeergarages voor de loten 15 en 16 (met minimum 26 parkeerplaatsen) en het voorzien van 5 deelwagens binnen de verkaveling kan de parkeernood van de bewoners, functies andere dan wonen (nevenfuncties) én bezoekers/klanten/medewerkers binnen de verkaveling opgevangen worden. Dit wordt als één van de voorwaarden bij het afleveren van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van de gronden opgenomen.
Adviezen
In het kader van de omgevingsvergunningsprocedure werden diverse adviesinstanties bevraagd. De adviezen worden besproken in het kader van de omgevingsvergunningsaanvraag voor het verkavelen van gronden. Ze zijn niet van die aard dat de gemeenteraad geen goedkeuring zou kunnen hechten aan de zaak de wegen horende bij de omgevingsvergunningsaanvraag voor het verkavelen van gronden (gelegen tussen Groenstraat – Melegemstraat en Wijnhuisveld).
Gemeentewegendecreet
De gemeenteraad dient zich uit te spreken over de ligging, de breedte en de uitrusting van de gemeenteweg, en over de eventuele opname in het openbaar domein. Hierbij wordt rekening gehouden met de doelstellingen en principes, vermeld in artikel 3 en 4 van het decreet houdende de gemeentewegen van 3 mei 2019.
Artikel 3 van voornoemd decreet heeft tot doel om de structuur, de samenhang en de toegankelijkheid van de gemeentewegen te vrijwaren en te verbeteren, in het bijzonder om aan de huidige en toekomstige behoeften aan zachte mobiliteit te voldoen. Om deze doelstelling te realiseren dienen de gemeenten een geïntegreerd beleid te voeren, dat onder meer gericht is op (01) De uitbouw van een veilig wegennet op lokaal niveau en (02) De herwaardering en bescherming van een fijnmazig netwerk van trage wegen, zowel op recreatief als op functioneel vlak.
De wegeniswerken/omgevingsaanleg bestaan erin te voorzien in 01. Een centrale ontsluitingsweg aansluitend op de Groenstraat; 02. Een ontsluitingsweg voor de brandweer tussen de voornoemde (01.) centrale ontsluitingswegen in aansluiting met de Groenstraat; 03. Zijwegen richting de woonentiteiten en toegang tot de parkeerzones; 04. Parkeerstroken; 05. Ontsluitingsweg voor de loten 7, 15 en 16; 06. Diverse voetwegen doorheen het project; 07. De Groenaanleg.
De ontwikkeling is erop gericht een (deel van een) binnengebied te gaan ontwikkelen dat aansluit bij de kern van Zingem en gelegen is bij het station van Zingem. De mobiliteitstoets stelt dat de realisatie van de woonwijk zal leiden tot 826 verplaatsingen door bewoners en bezoekers. 64 verplaatsingen zullen te voet gebeuren en 118 verplaatsingen per fiets. Het openbaar vervoer zal leiden tot 31 verplaatsingen. Het grootste aantal verplaatsingen zal met de wagen gebeuren. In totaal zullen er 414 verplaatsingen met de wagen gebeuren. Deze gebeuren gespreid over de dag met de grootste concentratie tijdens de spitsuren. In de ochtendspits (werkweek) tussen 7u en 9u worden 123 uitgaande verplaatsingen verwacht, tegen 14 inkomend verplaatsingen. In de avondspits (werkweek) tussen 17 en 19u worden 96 inkomende verplaatsingen verwacht en 39 uitgaande verplaatsingen. Zowel de Groenstraat (Lokale weg type III) met een pae tot 250 voertuigen per uur als de Kruishoutemsesteenweg (lokale weg type I) met een pae tot 650 voertuigen per uur kunnen (alvast in theorie) de bijkomende mobiliteitsimpact (volgens de data/gegevens/berekeningen van de bezwaarindiener) opvangen (volgens het berekeningsmodel zoals opgenomen op pg. 36 van de mobiliteitstoets). Evenwel wordt de impact van de verkaveling op de fietssnelweg (F45) in de mobiliteitstoets onderbelicht, zeker bij het aftoetsen ervan aan de doelstellingen/principes van het gemeentewegendecreet zoals opgenomen in artikelen 3&4 van voornoemd decreet. Aangezien er op heden geen verkeer wordt ontsloten vanuit het plangebied op de Groenstraat/fietssnelweg (F45) en er in de toekomst tot 826 verplaatsingen per dag worden gegenereerd vanuit de verkaveling, waarvan 414 verplaatsingen per dag met de wagen kan bezwaarlijk gesproken worden dat dit geen impact heeft of zal hebben op de (veiligheid van) de fietssnelweg. Om hieraan tegemoet te komen zal (zoals gesuggereerd wordt in de mobiliteitstoets) de Groenstraat ingericht moeten worden als fietsstraat in afwachting van het voorzien van een volwaardige aparte fietsbedding. Dit zal als voorwaarde opgelegd worden bij het afleveren van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van de gronden. De verkaveling voorziet voorts nog (intern) in een netwerk van trage verbindingen die aansluiten bij het bestaand netwerk van trage wegen/voetwegen. Op die manier worden er veilige en trage verbindingen voorzien richting de voornaamste ‘Points of Interest’ (POI) zoals richting centrum/kerk via de Melegemstraat en ‘Sentier 47’ of richting station via de bestaande verkaveling ‘Wijnhuisveld’. Behoudens de functionele verbindingen wordt er ook voorzien in recreatieve trage verbindingen binnen het project die de meanderende gracht binnen het project volgen en de verschillende groen- en speelzones met elkaar verbinden. Het snelheidsregime dat van toepassing is binnen het project zal in overeenstemming gebracht worden met het snelheidsplan van Kruisem, dat onderdeel is van de strategische mobiliteitsstudies en momenteel nog in opmaak is.
Artikel 4 van voornoemd decreet stelt dat bij beslissingen over wijzigingen van het gemeentelijk wegennet minimaal rekening gehouden wordt met de volgende principes: (01) Wijzigingen van het gemeentelijk wegennet staan steeds ten dienste van het algemeen belang; (02) Een wijziging, verplaatsing of afschaffing van een gemeenteweg is een uitzonderingsmaatregel die afdoende wordt gemotiveerd; (03) De verkeersveiligheid en de ontsluiting van aangrenzende percelen worden steeds in acht genomen; (04) Wijzigingen aan het wegennet worden zo nodig beoordeeld in een gemeentegrensoverschrijdend perspectief; (05) Bij de afweging voor wijzigingen aan het wegennet wordt rekening gehouden met de actuele functie van de gemeenteweg, zonder daarbij de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang te brengen. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen.
De verkaveling heeft een openbaar karakter waarbij, in overeenstemming met het rooilijnplan, de interne wegenis overgedragen wordt naar het openbaar domein en aldus publiek domein wordt dat ten dienste staat van de bevolking. De verkaveling heeft geen beperkend karakter op eventuele ontwikkelingsmogelijkheden van aanpalende percelen, of het resterend gedeelte van het woonuitbreidingsgebied (WUG). In het aanvraagdossier is, informatief en indicatief, een suggestie voorgesteld voor de ontwikkeling van het resterende deel van het WUG. Er kan gesteld worden dat de ontwikkelingsmogelijkheden van de aanpalende percelen of het aanpalende WUG niet gehypothekeerd worden door onderhavige omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden. De omgevingsvergunningsaanvraag betreft een inbreidingsproject dat gelegen is nabij de kern van Zingem en het station van Zingem. De ontwikkeling situeert zich dan ook op een strategische locatie nabij (openbare) diensten en kent een uitstekende ontsluitingsmogelijkheid via het openbaar vervoer (trein en bus), zoals ook vast te stellen is op de VITO-kaarten van de provincie. Door op strategische locaties te ontwikkelen wordt open ruimte die niet aansluit bij de kern en dus geen voorzieningen heeft in de directe omgeving of geen/slechte ontsluitingsmogelijkheden via openbaar vervoer gevrijwaard voor de essentiële functies van het buitengebied (cfr. visie RSV en artikel 1.1.4 van de VCRO).
Aldus kan geconcludeerd worden dat, indien de ontwikkeling/verkaveling wordt afgezet tegen de doelstellingen en principes van artikel 3&4 van het gemeentewegendecreet, het project in overeenstemming is met het gemeentewegendecreet.
De ingewonnen adviezen, bemerkingen, bezwaren hebben geen beperkend karakter waardoor de gemeenteraad niet zou kunnen overgaan tot goedkeuring van de wegzate door de gemeenteraad.
Onderhavige gemeenteraadsbeslissing heeft tot doel het goedkeuren van de zaak der wegen in functie van een omgevingsvergunning (OMV_2022163074) voor het verkavelen van gronden. Voor zover als nodig wordt hierbij aangegeven dat vergunningen een zakelijk karakter hebben en worden verleend onder voorbehoud van burgerlijke rechten. Het verlenen van de omgevingsvergunning van het college van burgemeester en schepenen waarvan onderhavige beslissing ook deel van zal uitmaken impliceert derhalve dus niet dat de vergunninghouder over de nodige burgerlijke rechten beschikt om de vergunning uit te voeren. Het behoort tot diens eigen verantwoordelijkheid om over de nodige burgerlijke rechten te beschikken. Bij betwisting zoals in dit geval, zal de vergunninghouder de werken dan ook niet kunnen uitvoeren.
De artikelen 41 en 162 van de Grondwet.
De artikelen 40, 41, 56 en 326 tot en met 341 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
De artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.
Het bestuursdecreet van 7 december 2018.
Artikel 31 en 65 van het decreet betreffende de omgevingsvergunning van 25 april 2014, waarin bepaald wordt dat de gemeenteraad een beslissing over de zaak der wegen dient te nemen vóór de bevoegde overheid een beslissing neemt over de aanvraag.
Decreet van 3 mei 2019 houdende de gemeentewegen, in zonderheid artikelen 3 en 4.
Besluit van de Vlaamse regering tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.
De Vlaams Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO).
Decreet van 28 juni 1985 en latere wijzigingen.
Besluit van de Vlaamse regering houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater.
De aanvraag tot het verkrijgen van een omgevingsvergunning (OMV_2022163074) voor het verkavelen van gronden (gelegen tussen de bestaande openbare wegen Wijnhuisveld – Groenstraat – Melegemstraat) door de SHM Vlaamse Ardennen, met adres Sint-Jozefsplein 18 te 9700 Oudenaarde, en de NV Vinesco, met adres Ouwegemsesteenweg 215 te 9770 Kruisem, zoals ingediend op 5 januari 2023.
De Volledig- en Ontvankelijkheidsverklaring (V&O) door de gemeentelijke omgevingsambtenaar (GOA) van 1 februari 2023.
Omgevingsvergunningsdecreet: Artikel 31, §1, tweede lid Omgevingsvergunningsdecreet bepaalt: “De gemeenteraad spreekt zich uit over de ligging, de breedte en de uitrusting van de gemeenteweg, en over de eventuele opname in het openbaar domein. Hierbij wordt rekening gehouden met de doelstellingen en principes, vermeld in artikel 3 en 4 van het decreet van 3 mei 2019 houdende de gemeentewegen, en in voorkomend geval met het gemeentelijk beleidskader en afwegingskader, vermeld in artikel 6 van het decreet van 3 mei 2019 houdende de gemeentewegen. De gemeenteraad kan daarbij voorwaarden opleggen en lasten verbinden, die de bevoegde overheid in de eventuele vergunning opneemt.”
Artikel 1:
De gemeenteraad keurt, in toepassing van artikel 31 van het Decreet van 25/04/2014 betreffende de omgevingsvergunning, voorliggende aanvraag over de aanleg, (wijziging, verplaatsing of opheffing) van een gemeenteweg inclusief bijhorend rooilijnplan met betrekking tot de omgevingsvergunningsaanvraag met dossiernummer OMV_2022163074 goed.
Artikel 2:
Goedkeuring wordt verleend aan minstens volgende documenten die horen tot het wegenisdossier (niet-limitatief) en als bijlage zijn gevoegd bij de beslissing:
Artikel 3:
In een aanvullend politiereglement zal er, vóór de definitieve oplevering van de wegenis, voor de publieke parkeerplaatsen binnen de verkaveling nog een aangepast parkeerregime opgelegd worden.
Artikel 4:
Het snelheidsregime binnen de verkaveling zal in overeenstemming gebracht worden met het snelheidsplan van de gemeente Kruisem, dat onderdeel is van de strategische mobiliteitsstudies en momenteel nog in opmaak is.
Artikel 5:
De Groenstraat zal, ter beveiliging van de trage weggebruikers (fietsers – ligging op Fietssnelweg F45) en in afwachting van een volwaardige aparte fietsbedding voor de fietssnelweg F45, als fietsstraat (her)ingericht worden. Dit zal mee opgenomen worden bij het wegenisdossier betreffende de heraanleg van de Groenstraat. Gezien deze heraanleg voor een groot deel volgt uit de ontwikkeling van het binnengebied en het voorzien in een veilige herinrichting waar de fietssnelweg en het verkeer uit de nieuwe wijk duidelijk kunnen gescheiden worden, zal de kost voor de herinrichting van de bovenbouw opgenomen worden als last ten aanzien van de aanvrager/verkavelaar. De modaliteiten hieromtrent dienen verder met de afdeling Infra opgenomen te worden en zullen deel uitmaken van een samenwerkingsovereenkomst.
Artikel 6:
De NV Vinesco, met maatschappelijke zetel te 9770 Kruisem, Ouwegemsesteenweg 215, verbindt zich ertoe om enerzijds wegenis- en rioleringswerken op eigen kosten aan te leggen. Anderzijds wordt de eigendom van de in de aanvraag vermelde openbare weg, aanhorigheden en openbare nutsvoorzieningen, en groenzones alsook de gronden waarop de komen te liggen, vrij en onbelast en zonder kosten af te staan aan de gemeente Kruisem.
De grondovername geschiedt door de gemeente voor openbaar en algemeen nut. Bij de omgevingsvergunningsaanvraag werd hiertoe door de NV Vinesco een ondertekende verbintenis tot kosteloze grondafstand aan de gemeente Kruisem voor inlijving bij het openbaar domein gevoegd. Deze verbintenis wordt tevens als bijlage gevoegd bij onderhavige beslissing.
Artikel 7:
Deze beslissing zal ter kennis worden gebracht aan de vergunningverlenende overheid samen met het dossier, voorwerp van de omgevingsvergunning tot het verkavelen gronden, alsook aan de aanvragers van de omgevingsvergunningsaanvraag.
Artikel 8:
Overeenkomstig artikel 330 van het decreet lokaal bestuur brengt de gemeenteoverheid de toezichthoudende overheid op de hoogte van de bekendmaking op de webtoepassing.
1. Inleiding
Met dit advies wenst het gemeentebestuur van Kruisem zich te engageren om een volwaardige bijdrage te leveren aan het maatschappelijk debat over het ontwerp van Provinciaal Beleidsplan Ruimte (hierna: het ontwerp beleidsplan).
Het is positief dat het ontwerp beleidsplan aanzet geeft tot debat over de ruimtelijke uitdagingen in de provincie en de invulling van het beoogde resultaatgerichte proces van ruimtelijke beleidsplanning. Verder ondersteunen we het streven naar ambitieuze doelstellingen en een langetermijnvisie met betrekking tot de maatschappelijke uitdagingen die op ons afkomen (zoals bevolkingsgroei, klimaatadaptatie, energietransitie, duurzame economie, …). We ondersteunen tevens de visie dat er moet worden ingezet op zuinig ruimtegebruik en optimaal ruimtelijk rendement. Ook het vooropgestelde doel om in te zetten op partnerschappen tussen de verschillende betrokken overheden en ruimtegebruikers is positief. Als lokaal bestuur zijn we dan ook hoopvol dat er gestreefd wordt naar een verbeterde samenwerking wordt tussen de bestuursniveaus.
Wij drukken ons echter kritisch uit over het tot hier toe gevoerde traject en het voorliggende resultaat ervan. Hieronder vatten we onze belangrijkste bezwaren en adviezen samen.
2. Algemeen
2.1. omtrent de participatie
Het beleidsplan stelt dat er een uitgebreide procedure gevolgd werd om tot breed gedragen en goed onderbouwde beslissingen te komen die gebaseerd zijn op overleg en participatie. We stellen echter vast dat diverse cruciale elementen niet aan het inspraakproces worden onderworpen. Zo werd het gemeentebestuur niet betrokken bij belangrijke keuzes rond onder meer kernen en zones voor niet-verweefbare activiteiten op ons grondgebied. Om te komen tot bestuurlijk draagvlak voor het ruimtelijk beleid is het voor ons van belang om het lokaal bestuur effectief te betrekken bij dergelijke belangrijke beslissingen. Er is nood aan effectieve participatie, overleg en samenwerking.
We stellen vast dat het ontwerp soms haaks staat op de realiteit staat wat het gevoel versterkt dat het plan is opgemaakt zonder rekening te houden met wat er echt leeft bij lokale besturen. En dat terwijl de provincie zich net profileert als voorbeeld inzake participatieve planning door ondertekening van het Europees Charter Participatieve Democratie in Ruimtelijke Planningsprocessen en lokale besturen stimuleert dit charter ook te ondertekenen.
2.2. Omtrent de leesbaarheid
Om tot (maatschappelijk) draagvlak te komen, moet het beleidsplan ook toegankelijker worden. Het ontwerp is momenteel (veel) te lang (>700 pagina’s tekst + onderzoeken meer dan 1.000 pagina’s) en moeilijk leesbaar. De moeilijke leesbaarheid werd reeds in vorige fasen van het planproces aangekaart en blijft nog steeds een pijnpunt. Een ‘toegankelijk werkinstrument voor het ruimtelijk beleid van andere beleidsniveaus en partners’, zoals geformuleerd bij de overkoepelende acties van het ontwerp beleidsplan, is het document vandaag helaas niet. De structuur van het document is bovendien vrij complex door de indeling in de drie ‘bovenlokale perspectieven’. Deze elementen samen verhinderen een toegankelijke, vlotte en inhoudelijk bevattelijke lezing van het ontwerp beleidsplan. Ook de leesbaarheid van het kaartmateriaal opgenomen in het document laat te wensen over. Los van het detailniveau die een provinciaal beleidsplan moet (of net niet moet) hebben werden de verschillende shapefiles die de kaarten ondersteunen nooit afgetoetst met de gemeentelijke diensten. Het statuut van het kaartmateriaal (beleidskaart versus informatieve kaart) is daarnaast niet altijd helder.
De verhalende leeswijzer op de website komt wel deels tegemoet aan bovenstaande opmerkingen, maar men kan niet verwachten dat elke Oost-Vlaming of geïnteresseerde burger voldoende digitaal geletterd is om met deze toepassing aan de slag te gaan.
Het lijkt mogelijk om de teksten bondiger te formuleren en meer structuur aan te brengen in het document zonder inhoudelijk aan kwaliteit in te boeten. In een samenvattende tabel zouden de verschillende onderdelen dan nog eens per perspectief opgelijst kunnen worden. Ook het samenvatten van ontwikkelingsopties in tabelvorm, bijvoorbeeld voor de verschillende types kernen of voor de bedrijventerreinen volgens hun potentie, zou de lees- en begrijpbaarheid sterk kunnen verhogen.
Een compacte samenvatting van het plan waarin de beleidskaarten duidelijk leesbaar vervat zitten, zou wenselijk zijn voor de leesbaarheid (en aantrekkelijkheid) van het plan.
2.3. omtrent de duidelijkheid
Ondanks de zeer gedetailleerde teksten en kaarten, blijft het ontwerp beleidsplan op sommige gebieden net te vaag. Verschillende nieuwe concepten worden geïntroduceerd of krijgen een cruciale rol in de verdere uitvoering zonder dat deze concepten afdoende worden ingevuld (bv. het onderscheid tussen verweefbare en niet-verweefbare activiteiten). Dit zorgt ervoor dat de doelstellingen van het ontwerp beleidsplan én de haalbaarheid van de verschillende concepten op heden zeer moeilijk in te schatten zijn.
2.4. omtrent de realisatiegerichtheid
Hoewel het ontwerp beleidsplan een wervende toekomstvisie met ambitieuze doelstellingen vooropstelt, geeft het hieraan onvoldoende invulling. De missing link tussen de strategische doelen en de effectieve realisatie ontbreekt. Visievorming en doelstellingen blijven een dode letter, indien ze niet geruggesteund worden door een coherent en efficiënt realisatiegericht instrumentarium. Hoewel een realisatiegericht plan vooropgesteld wordt, is het ontwerp dat voorligt echter onvoldoende concreet op vlak van instrumenten, acties en partnerschappen om de visie en ambitie daadwerkelijk uit te voeren op het terrein.
Één van de beweegredenen om de ruimtelijke structuurplanning te verlaten en te kiezen voor het nieuwe concept van ruimtelijke beleidsplanning, is meer realisatiegerichtheid. Dit principe is zelfs verankerd in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: ‘[…] Het ruimtelijk beleidsplan is erop gericht samenhang te brengen in de voorbereiding, de vaststelling en de uitvoering van beslissingen in de ruimtelijke ordening. Het is realisatiegericht.’ (art. 2.1.1 §1). Het plan moet slagkrachtig zijn en beleidskeuzes moeten doorwerking op terrein kennen.
De strategische visie van het ontwerp beleidsplan stelt vier strategische doelstellingen voorop ((i) het fysisch-natuurlijk systeem, de biodiversiteit en ecosysteemdiensten versterken; (ii) circulair en geïntegreerd denken en handelen; (iii) duurzame maatschappelijke groei realiseren; en (iv) klimaatgezond zijn). Wanneer strategische doelstellingen zijn vastgesteld, is het belangrijk om ze verder uit te werken om ze bruikbaar te maken op operationeel niveau. De beleidskaders zijn geënt op de strategische doelstellingen, maar de vertaling in operationele doelstellingen gebeurt nauwelijks.
De drie beleidskaders omvatten elk een uitgebreid actieplan van 30 à 35 acties. Deze acties blijven abstract, zijn niet concreet of gebiedspecifiek (ze kunnen gelden voor elke provincie). Men spreekt wel over het voeren van ‘realisatiegerichte geïntegreerde planningsprocessen’, maar waar/met wie/wanneer hiertoe overgegaan wordt, wordt niet toegelicht. Dit lijkt een gemiste kans. Als lokaal bestuur willen wij op de hoogte zijn van welke gebiedspecifieke acties de bovenlokale overheid de komende periode zal uitvoeren waarbij ons grondgebied betrokken is. Bij een lijst van circa 100 acties is het ook belangrijk om de prioriteiten te bepalen. Op die manier kunnen wij ons ook organiseren om gemeentelijke doelstellingen te koppelen aan bovenlokale acties.
We pleiten uitdrukkelijk voor operationele doelstellingen die ‘SMART’ geformuleerd zijn:
2.5. omtrent het samenwerkingsmodel
Het ontwerp beleidsplan wil meer slagkracht hebben door in te zetten op partnerschappen tussen overheden en ruimtegebruikers, waardoor beleidskeuzes sterker zouden doorwerken op het terrein (meer dan bij de structuurplannen). De provincie stelt dat samenwerken voor haar dus centraal staat, niet enkel tussen de verschillende beleidsdomeinen, maar ook via partnerschappen tussen overheid en maatschappelijk middenveld, burgers, ondernemers, investeerders,… Er wordt aldus een minder hiërarchisch model beoogd dan het geval was bij structuurplanning. Verschillende bestuursniveaus werken daarbij elk vanuit een eigen rol samen om de ruimte te ontwikkelen.
Het is positief dat met ruimtelijke beleidsplanning een verbeterde samenwerking wordt nagestreefd tussen de bestuursniveaus. Bij de totstandkoming van het ontwerp beleidsplan werden we als lokaal bestuur helaas onvoldoende (effectief) betrokken, nochtans is er een schat aan lokale kennis aanwezig bij de verschillende lokale besturen/actoren/middenveldorganisaties.
Daarnaast vragen we dat de provincie meer oog heeft voor specifieke ruimtelijke vraagstukken, uitdagingen, knelpunten en kansen waarmee wij als lokaal bestuur geconfronteerd worden, maar waarop we geen antwoord kunnen bieden omwille van de complexiteit en/of een bovenlokale dimensie. Dit is nochtans nodig om het draagvlak voor het beleidsplan te vergroten, en om te komen tot een meer actiegericht plan toegespitst op concrete locaties.
Het gevaar dreigt nu dat wij ons als lokaal bestuur in de toekomst moeten behelpen met alternatief instrumentarium zoals beleidsmatig gewenste ontwikkelingen om op lokaal niveau ruimtelijk beleid te voeren omdat we via de weg van het geijkte instrumentarium (beleidsplannen, verordeningen, RUP’s) stoten op beleidsmatige tegenstellingen die de slaagkansen van het planproces sterk reduceren of zelfs onmogelijk maken aangezien de provincie ‘voorbehoud kan maken’ van bepaalde opties in het gemeentelijke beleidsplan (cfr. artikel 2.1.11 van de VCRO).
2.6. Omtrent de verhouding tav het lokale beleidsniveau
Het ontwerp beleidsplan biedt een langetermijnvisie voor een duurzaam gebruik van de beperkte ruimte in Oost-Vlaanderen tot 2050. Het plan heeft hoge ambities om verschillende ruimtelijke transities te initiëren en/of te versnellen. De inhoudelijke doorwerking van de ‘provinciale acties’ op lokaal niveau en in relatie tot gemeentelijke beleidsinitiatieven wordt echter niet scherp gesteld. Zo is het onduidelijk hoe de overkoepelende beleidsdoelstelling ‘ruimtebeslag in balans’ concrete doorwerking zal krijgen op lokaal niveau. Uiteindelijk vinden alle ‘provinciale acties’ met ruimtelijke neerslag plaats op het grondgebied van één of meerdere steden en/of gemeenten uit onze provincie. Beleidsmatig treedt de provincie als adviesverlener op bij lokale ruimtelijke planningsinitiatieven. Ook hier stelt zich de vraag hoe ‘ruimtebeslag in balans’ uitwerking zal krijgen in advisering. Als lokaal bestuur willen wij op de hoogte zijn van welke gebiedspecifieke acties de bovenlokale overheid de komende periode zal uitvoeren waarbij ons grondgebied betrokken is.
2.7. omtrent de verhouding tav het vlaams beleidsniveau
De Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bepaalt dat ‘in elk ruimtelijk beleidsplan wordt aangegeven hoe het zich verhoudt tot de ruimtelijke beleidsplannen van de andere niveaus’ (art. 2.1.1 §3). Het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen is nog in opmaak, maar er bestaat wel al een goedgekeurde strategische visie. De Vlaamse Regering heeft de doelstelling om het bijkomend ruimtebeslag in Vlaanderen te beperken tot 0 ha per dag in 2040. Dit geldt voor alle acties van alle actoren binnen Vlaanderen. Voorliggend ontwerp beleidsplan stelt een ruimtebeslag in balans voor ‘alle provinciale acties samen’ voor vanaf 2024. Het is niet (geheel) duidelijk welke ruimtebeslagbasis als ijkpunt gebruikt zal worden om te bepalen of de balans op middellange (2024-2035) en korte (balans per legislatuur) termijn in evenwicht is. Het merendeel van de ruimtelijke ontwikkelingen die ruimtebeslag genereren, zijn bovendien privaat. Het is niet duidelijk hoe de provinciale ambitie zich inschrijft in de Vlaamse doelstelling om het effectieve bijkomend ruimtebeslag binnen Vlaanderen tegen 2040 te reduceren tot 0 ha.
2.8. omtrent de verhouding tav andere (beleids)plannen
Er is verder ook nood aan afstemming tussen het voorliggende ontwerp beleidsplan en de verschillende beleidsplannen in andere domeinen zoals mobiliteit, klimaat, landbouw, wonen,… We stellen immers vast dat het ontwerp beleidsplan onvoldoende rekening houdt met deze andere beleidsplannen (Mobiliteitsplan Vervoersregio Vlaamse Ardennen, Klimaatactieplan, AGNAS-kaarten) waardoor er op deze vlakken tegenstrijdigheden (kunnen) ontstaan.
2.9. omtrent de graad van detail
Een ruimtelijk beleidsplan is een strategisch plan waarbij elk bestuursniveau zich focust op die uitdagingen en ontwikkelingen die aangepakt moeten worden op dat specifieke schaalniveau.
Als lokaal bestuur ervaren we binnen de structuurplanning soms te weinig beleidsmatige ruimte voor maatwerk. De beleidsplanning wil het dynamisch karakter van het ruimtelijk beleid verhogen door meer ruimte te laten voor gelijkwaardige samenwerking. De Memorie van Toelichting met betrekking tot beleidsplanning stelt dat de provincie in dit licht een minder bevoogdende rol kan opnemen en zich toespitsen op een aantal eigen projecten en een mediërende rol in intergemeentelijke samenwerking. De inhoudelijke invulling van de provinciale ruimtelijke beleidsplannen zou derhalve een stuk selectiever kunnen zijn dan de invulling van de provinciale ruimtelijke structuurplannen. We stellen echter vast dat het ontwerp beleidsplan een zeer brede scope heeft. De beleidskaarten, transitiekaarten genoemd, van de drie beleidskaders samen vormen een nagenoeg gebiedsdekkende visiekaart die een zeer gedetailleerde weergave biedt van de ruimtelijke ontwikkeling van Oost-Vlaanderen op lange termijn. Het geniet de voorkeur om de graad van detaillering over te laten aan de bestuursniveaus die daarvoor best geplaatst zijn en over de meeste (terrein)kennis bezitten, nl. de gemeente. De provincie kan hier dan optreden om de verschillende visies gemeentegrens overschrijdend aan elkaar te linken (zoals dat het geval bv is bij de vervoersregio’s bij de opmaak van de regionale mobiliteitsplannen).
Waar er bij structuurplanning nog enige marge voor interpretatie was door de figuratieve voorstelling met pijlen, bollen, puntaanduidingen, enzovoort, lijken de huidige beleidskaarten, door de gekozen cartografische voorstellingswijze, weinig marge voor interpretatie te laten.
Daarom wordt voorgesteld om de cartografie van bepaalde transitiekaarten aan te passen en duidelijk aan te geven wanneer een illustratieve weergave wordt beoogd en wat het karakter van het kaartmateriaal is (bindend, richtinggevend of illustratief).
2.10. omtrent de financiële haalbaarheid
We stellen vast dat elk inzicht over het financieel kader en het nodige financiële instrumentarium ontbreekt in het ontwerp beleidsplan. Er is geen enkel zicht op de financieel-economische impact van de diverse vergaande beleidsopties. Het is verder onduidelijk welke financiële middelen gemoeid zijn met de realisatie van het ontwerp beleidsplan en in hoeverre die middelen überhaupt beschikbaar zijn. Ten slotte is het geheel onduidelijk wat er in financieel opzicht van ons als lokaal bestuur wordt verwacht of wat de budgettaire impact zal zijn op lokaal niveau. Naast duidelijkheid over het financiële plaatje ontbreekt tevens duiding van de noodzakelijke flankerende financiële instrumenten. Dit vormt een belangrijke tekortkoming van voorliggend ontwerp, en staat ook een adequate beoordeling ervan in de weg. We vragen hieromtrent meer duidelijkheid en wijzen er ook op dat de grenzen van de budgettaire realiteit de verdere invulling van het beleidsplan zullen bepalen. De keuze en invulling van de soms vergaande strategische doelstellingen moet mee worden bepaald in functie van het financieel-budgettair kader.
2.11. omtrent de verhouding tav lopende planningstrajecten
De Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bepaalt dat de Vlaamse Regering en de deputatie beschikken over een schorsingsbevoegdheid met een termijn van 45 dagen na de definitieve vaststelling van een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, onder meer indien dit RUP onverenigbaar is met het ontwerp provinciaal beleidsplan ruimte (art. 2.2.23).
Het ontwerp beleidsplan kan dus nu reeds een grote impact hebben op gemeentelijke planprocedures. Er is onduidelijkheid over de overgangsmaatregelen voor reeds lopende ruimtelijke planningsprocessen op lokaal niveau. Voor lopende processen van provinciale bestemmingsplannen is expliciet voorzien dat zij het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan als basis behouden, mits de plenaire vergadering heeft plaatsgevonden vóór de inwerkingtreding van het provinciaal beleidsplan. Voor planningsprocessen op lokaal niveau is er geen regeling voorzien. Om rechtsonzekerheid te vermijden en waardevolle, meestal intensieve trajecten niet teniet te doen, is er nood aan duidelijke overgangsmaatregelen.
2.11.1. Provinciaal Ruimtelijk Uitvoeringsplan (PRUP) “Zaubeek”
De provincie is op heden bezig met de opmaak van het Provinciaal Ruimtelijk Uitvoeringsplan (PRUP) “Zaubeek” (fase startnota afgewerkt).
Het provinciaal RUP ‘BEK Zaubeek’ wordt in eerste instantie opgemaakt in navolging van een herziening van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV). Op 2 mei 2011 trad de tweede herziening van het RSV in werking. In dit addendum zijn een aantal ‘bijzondere economische knooppunten’ geselecteerd (BEK’s). De nieuwe categorie heeft tot doel om de potenties inzake werken op Vlaams niveau van enkele niet-geselecteerde bestaande concentratiegebieden te kunnen benutten of om specifieke juridische knelpunten op te lossen.
Voor de bijzondere economische knooppunten niveau 1, waartoe het BEK Zaubeek behoort, worden volgende doeleinden beoogd: "het verzekeren van het aanwenden van potenties voor regionale bedrijventerreinen in het kader van het aanbodbeleid aansluitend bij bestaande concentraties of clusters”.
De doelstellingen van het PRUP zijn 4-ledig en voorzien in:
De opties die thans in het provinciaal beleidsplan zijn opgenomen houden geen rekening met de doelstellingen uit het lopende provinciaal RUP, meer bepaald met het beleidskader ‘Transitie naar een circulaire samenleving’. Hierin wordt de volledige industriezone (bestaand + uitbreiding) geselecteerd als ‘beperkt’ ontwikkelingsmogelijkheden voor niet-verweefbare activiteiten. Waarbij geen uitbreiding mogelijk is van het bedrijventerrein ikv niet-verweefbare activiteiten en het stand-still principe van toepassing is. De bestaande activiteiten kunnen er wel nog behouden blijven, maar er kan geen uitbreiding zijn van het bestaand ruimtebeslag en er tevens geen intensivering mogelijk is van beschikbare ruimte indien dit bijkomende milieueffecten zou genereren. Enkel in functie van een ‘HUB’ zijn er beperkt nog ontwikkelingsmogelijkheden.
De visie in het provinciaal beleidsplan staat aldus haaks op de bestaande doelstellingen van het PRUP en de bestaande bestemming volgens het gewestplan (milieubelastende industrie). Quid (financiële) haalbaarheid?
Ondanks dat voor lopende processen van provinciale bestemmingsplannen, waarbij de plenaire vergadering heeft plaatsgevonden vóór de inwerkingtreding van het provinciaal beleidsplan, het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan als basis behouden blijft is dit toch een visie die niet strookt met de (gemeentelijke) visie voor het gebied.
2.11.2. Gemeentelijk Beleidsplan Ruimte
Het gemeentebestuur is bezig met de opmaak van zijn Gemeentelijk Beleidsplan Ruimte (fase conceptnota). Hierin worden verschillende beleidsvisies vooropgesteld die strijdig zijn met de opties uit het provinciaal beleidsplan ruimte. Het gemeentebestuur wenst hierin bijvoorbeeld zelf invulling te geven aan de woonbehoefte op zijn grondgebied en hoe/waar deze best in te vullen is. De principes botsen met de visie die opgenomen is in het beleidskader van de provincie ‘Transitie naar een solidaire (be)leefomgeving. (zie ook de opmerking omtrent het detailniveau van het provinciaal beleidsplan).
2.11.3. Gemeentelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan (RUP) “Scouts Zingem”
Het gemeentebestuur is op heden bezig met de opmaak van het gemeentelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan (RUP) “Scouts Zingem” (plenaire vergadering 23/01/2023). De opties die opgenomen zijn binnen dit uitvoeringsplan komen niet overeen met de opties die genomen worden in het provinciaal beleidsplan ruimte, meer specifiek het beleidskader ‘Transitie naar een robuuste en veerkrachtige ruimte’.
2.11.4. Gemeentelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan (RUP) “Lokaal Bedrijventerrein Zingem”
Het gemeentebestuur is reeds >10jaar bezig met de opmaak van een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan voor de uitbreiding van de bestaande ambachtelijke zone ter hoogte van de ‘Vogelzang’ op de grens met Gavere en Nazareth en gelegen langsheen de N35 en N60. Door de tweede herziening van het PRS leek dit geen optie meer te zijn om hier een uitbreiding te gaan voorzien voor lokale bedrijvigheid ondanks uitvoerig locatie-onderzoek en behoefteraming.
Thans wordt in het provinciaal beleidsplan de zone geselecteerd als zeer hoge potentie voor niet-verweefbare activiteiten. Bedoeling volgens het beleidsplan is de ruimte te gaan transformeren naar een strategische plek voor uitsluitend niet-verweefbare activiteiten. Ontwikkelingskansen zijn er enkel voor niet-verweefbare activiteiten. De verweefbare activiteiten krijgen geen ontwikkelingskansen (niet verbouwen, uitbreiden, herbouwen) en moeten op termijn herlokaliseren naar een kern. Onder niet-verweefbare activiteiten worden de activiteiten begrepen die teveel hinder veroorzaken en/of ruimtelijk moeilijk inpasbaar zijn. Het is niet duidelijk hoe/wie de parameters dienen geïnterpreteerd te worden met betrekking tot “teveel hinder veroorzaken” en de “ruimtelijke inpasbaarheid” om te concluderen of een bedrijf al dan niet verweefbaar is en dus kan blijven of moet herlokaliseren. Ook hier worden vragen gesteld bij de (financiële) haalbaarheid van de visie van het ontwerp beleidsplan.
2.12. strategische visie
De strategische visie is een algemene visie over de maatschappelijke ontwikkeling, daar waar het een ruimtelijke visie voor de provincie Oost-Vlaanderen zou moeten zijn. De tekst heeft een complexe structuur van 7 waarden, 4 strategische doelstellingen, 5 ruimtelijke principes en 5 werkvelden. Het lijkt mogelijk om deze tekst te vereenvoudigen en meer triviale tekstonderdelen weg te laten.
De strategische visie blijft heel theoretisch en abstract omschreven: ze kan ook gelden voor andere provincies en wordt niet specifiek toegepast op Oost-Vlaanderen. Ter illustratie: geen enkele Oost-Vlaamse gemeente wordt vernoemd (slechts één keer stad Gent).
Het concretiseren kan aan de hand van (een) visiekaart(en) met strategische beleidskeuzes voor de provincie Oost-Vlaanderen. De sterke en nog relevante delen uit het huidige provinciaal ruimtelijk structuurplan zouden kunnen worden hernomen. Ter referentie verwijzen we ook naar de strategische visie en bijhorende visiekaart van het provinciaal beleidsplan ruimte Vlaams-Brabant.
3. Beleidskader ‘Transitie naar een robuuste en veerkrachtige ruimte 2023’
3.1. potentie- en transitiekaarten
De potentie- en transitiekaarten zijn rasterkaarten bestaande uit pixels van 150 bij 150m. Als reden voor deze cartografische benadering wordt gesteld dat de (transitie)kaart de beleidskeuzes van de Provincie vanuit een bovenlokale samenhang toont en per soort essentieel gebied aangeeft op welke ecosysteemdiensten moet worden ingezet. Het toont bovenlokale uitgangspunten die telkens gebiedsgericht te verfijnen zijn (p.56).
Conceptueel is de transitiekaart van dit beleidskader opgebouwd als de inverse van de kernen en de strategische plekken voor niet-verweefbare activiteiten. Samen met de kernen en de strategische plekken voor niet-verweefbare bedrijvigheid wordt een gebiedsdekkende beleidskaart gevormd. Aangezien sommige bestaande “kernen” (Nokere, Wannegem en Lede) niet geselecteerd zijn als (lokale) kern en aldus een invulling krijgen als “sponzen”, “longen” en “gouden gronden” stellen we ons de vraag wat dit concreet betekent (financiële haalbaarheid van het plan) voor de bestaande woningen en de beschikbare juridische bouwgronden. De strategische plekken voor niet-verweefbare bedrijvigheid kennen een harde afbakening op perceelsniveau. De (harde) hypothesecontour van de kernen kan slechts verfijnd worden onder strikte voorwaarden. De transitiekaart van het beleidskader ‘robuuste en veerkrachtige ruimte’ laat bijgevolg weinig marge voor interpretatie. De vraag kan gesteld worden of de gehanteerde visualisatietechniek van dit beleidskader (rasters van 150 bij 150m) in de praktijk weldegelijk voldoende ruimtelijke en beleidsmarge biedt om nog ‘gebiedsgerichte verfijning’ mogelijk te maken. Het gevaar bestaat dat deze weinig gedetailleerde kaarten zorgen voor twijfel, verwarring en/of onzekerheid, zowel bij burgers als bij professionelen. Ongewild zouden de kaarten als effect kunnen hebben dat planprocessen vertraagd, bemoeilijkt of zelfs onderuit gehaald worden door deze generieke, maar tegelijk niet-vrijblijvende benadering. Bij de structuurplanning was het figuratieve karakter van het kaartmateriaal duidelijk. Hierbij werd een globale visie uitgeschreven die verder op lokaal niveau kon verfijnd worden. Het is wenselijk een gelijkaardige structuur na te streven. Dit is hier allerminst het geval.
We stellen ons daarbij ook de vraag welke meerwaarde of relevantie deze kaarten vandaag nog hebben gezien voor de verschillende aspecten reeds veel nauwkeuriger kaartmateriaal beschikbaar is.
De kaart van de ‘Sponzen van Oost-Vlaanderen’ toont de laaggelegen gebieden rond waterlopen. In eerste instantie is het vreemd dat deze kaart geen doorlopende netwerkstructuur vertoont die een weerspiegeling vormt van de waterstructuur in de provincie. Daarnaast stelt de VMM vandaag veel nauwkeuriger en gedetailleerder kaartmateriaal beschikbaar met betrekking tot de waterproblematiek waarbij nagenoeg tot op centimeterniveau nauwkeurig voorspeld wordt hoe hoog de waterstanden bij pluviale en fluviale overstromingen kunnen zijn, al dan niet rekening houdende met klimaatverandering.
De kaart van de ‘Longen van Oost-Vlaanderen’ zou op haar beurt veel preciezer gemaakt kunnen worden door slimme combinatie van beschikbare data zoals de Digitale Boswijzer, VEN- en Habitatrichtlijngebieden.
Voor de kaart ‘Gouden gronden van Oost-Vlaanderen’ kunnen de Herbevestigde Agrarische Gebieden als leidraad dienen.
Graag vernemen we het standpunt van de provincie in verband met deze bestaande en nauwkeurigere kaarten en de verhouding ervan met de transitiekaart opgemaakt in het kader van het ontwerp beleidsplan.
3.2. relatie met agnas
Van 2004 tot 2009 heeft de Vlaamse overheid in overleg met gemeente, provincies en middenveldorganisaties een ruimtelijke visie voor landbouw, natuur en bos uitgetekend voor dertien buitengebiedregio’s. Voor Oost-Vlaanderen gaat het om (delen van) de regio’s Vlaamse Ardennen, Schelde-Dender, Waasland en Veldgebied Brugge-Meetjesland. Deze visie vormt de basis voor de opmaak van gewestelijke ruimtelijke uitvoeringplannen die deze visie op perceelsniveau bestemmingsmatig vastklikken.
In de geest van beleidsplanning als realisatiegericht beleid waarbij partnerschappen tussen overheden hoog in het vaandel worden gedragen, is het een gemiste kans (i) dat de relatie met de AGNAS-processen niet gelegd is in het plan en (ii) dat deze waardevolle trajecten niet als basis voor verdere uitwerking in het plan gehanteerd zijn, mocht dit al aan de orde zijn. De openruimtestructuren zijn immers bij uitstek grensoverschrijdend van aard en dit niet alleen op ruimtelijke schaal van de gemeente, maar ook op provinciale schaal. De vraag kan dan ook gesteld worden of er nood is om op provinciaal niveau een bijkomende visie uit te werken voor deze structuren. Anderzijds is het wel broodnodig om de krachten over de beleidsniveaus heen te bundelen om eindelijk realisatiegericht werk te maken van kwalitatieve open ruimte in Vlaanderen.
3.3. koppelkansen recreatie
De transitiekaart ‘Koppelkans recreatie’ (p. 113) brengt de gebiedseigen recreatiegebieden met bovenlokale aantrekkingskracht in beeld. Welke criteria gebruikt zijn voor de selectie van deze gebieden is niet duidelijk, maar enkel de provinciale domeinen lijken aan de selectievoorwaarden te voldoen. Onze provincie is daarnaast rijk aan nog heel wat andere domeinen die evenzeer in aanmerking kunnen komen als gebied met bovenlokale aantrekkingskracht waarbij duidelijke koppelkansen tussen recreatie en open ruimte bedacht kunnen worden.
3.4. lokale recreatiepolen
De gehanteerde methodiek voor de hypothese van kernafbakeningen zorgt nagenoeg per definitie voor de uitsluiting van de lokale, volgens de gehanteerde terminologie niet-gebiedseigen recreatiegebieden, uit de kernen. Het RURA-algoritme focust namelijk op de aanwezigheid van huishoudens om te bepalen welke gebieden tot een kern behoren en welke niet. Als gevolg hiervan zijn veel lokale recreatiepolen binnen de longen, sponzen en/of gouden gronden van Oost-Vlaanderen gesitueerd. Voor niet-gebiedseigen recreatie zijn er mogelijkheden voorzien nabij (geselecteerde) kernen, mits de recreatie op die plek hoofdzakelijk blijft bestaan uit recreatievormen die wel gebiedseigen zijn. Veel lokale recreatieterreinen zijn vandaag echter te categoriseren als niet-gebiedseigen. Ze komen beleidsmatig in openruimtegebied te liggen waardoor een standstill, of zelfs een afbouw van het ruimtebeslag zou moeten worden nagestreefd terwijl er maatschappelijk net een grote nood is aan sportinfrastructuur. De toekomstperspectieven voor deze zones zijn dus hoogst onzeker, hoewel van cruciaal belang voor een leefbare kern. We vinden het dan ook noodzakelijk dat ook voor lokale, niet-gebiedseigen recreatie algemene ontwikkelingsperspectieven worden voorzien of dat het beleidskader meer ruimte biedt voor niet-gebiedseigen recreatie.
Voor wat betreft Kruisem komen al minstens de sportterreinen in Lozer (geselecteerd als ‘gouden grond’) en Nokere (geselecteerd als ‘long’) naar voor. Maar ook toekomstige visies (bv naar aanleiding van fusies) kunnen strijdig zijn met de bestaande opties die genomen zijn in het provinciaal beleidsplan (bv. de site ter hoogte van de Hofakkerstraat).
Ook het lopende gemeentelijk planningsproces RUP “Scouts Zingem” is strijdig met de principes die opgenomen zijn in het ontwerp beleidsplan (geselecteerd als spons), zoals bovenstaand al aangegeven.
3.5. groenblauw netwerk
Dit onderdeel is beknopt uitgewerkt, maar roept toch een aantal vragen op. In de tekst is een onderdeel ‘vrijwaren’ voorzien. Vermoedelijk kan dit gelijkgeschakeld worden met het onderdeel ‘te beschermen’ op het online kaartmateriaal. Dit onderdeel is verder opgedeeld in te beschermen punten, lijnen en vlakken.
Een doorvertaling van het onderdeel ‘Sterk groenblauw netwerk’ naar een thematische transitiekaart, zoals dit gebeurd is voor de andere onderdelen van dit beleidskader, is hier niet gebeurd. Door het ontbreken van een beleidskaart van het onderdeel ‘Sterk groenblauw netwerk’ is het statuut van dit onderdeel niet duidelijk.
3.6. realisatiegerichtheid
De overkoepelende doelstellingen van het beleidskader ‘veerkrachtige en robuuste open ruimte’ zijn zeer/te ambitieus. De vraag stelt zich in welke mate deze ambities effectief vertaald kunnen worden en zullen bijdragen tot realisatiegerichte acties op terrein. Er worden geen prioriteiten, noch concrete gebiedsgerichte en/of kwantificeerbare acties aangegeven waardoor het gevaar dreigt dat dit beleidskader dode letter blijft (quid (financiële) haalbaarheid). En dit terwijl het behalen van de klimaatdoelstellingen prioritair op de agenda van alle bestuursniveaus zou moeten staan.
4. Beleidskader ‘Transitie naar een solidaire (be)leefomgeving 2023’
4.1. aandacht voor de cultuurhistorische eigenheid
De basis voor ons hedendaagse Oost-Vlaamse cultuurlandschap is in de vroege middeleeuwen (5de tot 10de eeuw) gelegd. De vele Germaanse plaatsnamen die eindigen op ‘-gem’, ‘-zele’ en ‘-beke’ zijn de toponymische getuigen die refereren naar de woonplaatsen van de toenmalige bevolking. In het bijzonder in het zuiden van huidig Oost-Vlaanderen, tussen Schelde en Dender, ontwikkelde zich een nederzettingsnetwerk met een zeer hoge dichtheid. Op de gedigitaliseerde versie van het zgn. 'gereduceerd kadaster' (ca. 1850) (zie Kaart 1) is dit fenomeen duidelijk waarneembaar.
Het ontwerp van beleidsplan overschrijft een groot deel van deze qua omvang soms nog steeds zeer beperkte, maar qua historiek zeer rijke kernen met het beleidskader ‘robuuste en veerkrachtige ruimte’. De ruimte tussen de huidige RURA-kernafbakeningen en de zones voor niet-verweven bedrijvigheid wordt immers gebiedsdekkend ingekleurd met de sponzen, longen en gouden gronden van Oost-Vlaanderen. In ongeveer een derde van de oppervlakte van het zuiden van de provincie is de afbouw van het bestaande ruimtebeslag aan de orde. Veel historische kernen liggen in deze zone waar ruimtebeslag weggenomen moet worden. Het resultaat van de eeuwenlange ontwikkelingsgeschiedenis van de regio wordt daarmee langzaam maar zeker van de kaart geveegd.
We vragen dan ook om het historisch gevormde verspreide nederzettingspatroon als ruimtelijke kwaliteit en eigenheid van de regio te omarmen in plaats van te streven naar een ideaalscenario dat vertrekt van een wit blad en waarbij ook vragen over de (financiële) haalbaarheid kunnen gesteld worden.
Kaart 1 Vectorisering en karakterisering van nederzettingskernen op basis van het zgn. 'gereduceerd kadaster'. Bron: Tys D., Buylle E., Verdurmen I. & Canters F. 2010 VUB - SKAR-Rapport 5, Brussel.
4.2. Kernafbakeningen
Als hypothese van kernafbakening worden de RURA-kernen gebruikt, aangevuld met de PRS-kernen die niet door RURA als kern erkend worden. De gehanteerde kernafbakeningsmethode uit het RURA houdt enkel rekening met bebouwing (dichtheid/oppervlakte) en bewoning (huishoudens). Dit is een relatief ‘enge’ kernbenadering. Enerzijds ruimtelijk omdat hierdoor enkel rekening gehouden wordt met de bestaande bebouwde toestand. Anderzijds omdat het algoritme enkel de woonfunctie valoriseert terwijl een kern net een veelheid aan functies huisvest. Verweefbare (bedrijfs)activiteiten, maar ook lokale recreatiepolen (zie onderdeel 3.4) worden enkel bij toeval binnen de kernafbakening gesitueerd terwijl ze noodzakelijke elementen vormen die een kern onderscheiden van een loutere woonverkaveling.
Het gebruik van objectieve parameters, zoals de hoeveelheid gebouwen en de densiteit van woningen als vertrekbasis voor ruimtelijke beleidsvoering kan zeker onderschreven worden, maar gebiedsgericht maatwerk, in consensus met lokale besturen is onontbeerlijk om tot een gedragen kernenvisie te komen. Het plan stelt wel voor dat gemeenten, mits voldoende (ruimtelijke) argumentatie en mits voldaan aan specifieke voorwaarden, een verfijning van de contour van de kern kunnen voorstellen vanuit de visie op de kern en vanuit het opvangen van bijkomende programmatie (p.117). Als lokaal bestuur hadden we dit eerder voorafgaand in dialoog met de provincie willen doen. Zowel de afbakening/keuze van de kernen als de woonprogrammatie dienen in nauw overleg met de gemeente te gebeuren.
Het getuigt immers niet van een constructieve samenwerkingshouding wanneer een verfijning van een door een computeralgoritme gegenereerde afbakening slechts onder strikte voorwaarden en mits voldoende ruimtelijke motieven kan bekomen worden. Ruimtelijke beleidsplanning moet uitgaan van een samenwerkingsmodel waarbij verschillende bestuursniveaus (minder hiërarchisch dan voorheen) samenwerken om de ruimte te ontwikkelen. Opvallend hierbij is ook dat Departement Omgeving zelf aangeeft dat de gehanteerde RURA-kernafbakening puur morfologisch is en niet gerelateerd is aan juridische bestemmingen of toekomstig te voeren beleid. Kernen vormen de ruimtelijke neerslag van een eeuwenlang maatschappelijk proces. Het historisch gegroeid nederzettingspatroon reduceren tot een arbitrair bepaalde dichtheidsconcentratie, gaat hieraan volledig voorbij. Deze werkwijze lijkt dan ook allesbehalve een goede vertrekbasis om partnerschappen en samenwerking tussen overheden onderling op te baseren.
4.3. selectie van kernen
Een beslissingsboom die onder andere de door de provincie zelf verfijnde knooppuntwaarde- en voorzieningenniveaukaart van VITO als afwegingscriterium hanteert, wordt gebruikt om een indeling van kernen te maken waarbij (grote) stedelijke kernen en (boven)lokale kernen onderscheiden kunnen worden. Het doorlopen van de beslissingsboom levert soms bevreemdende resultaten op die niet lijken te stroken met de gevoelsmatige bestaande hiërarchie der kernen. De kernen van Kruishoutem en Zingem hebben volgens de VITO-kaarten van de provincie een uitstekend/goed voorzieningenniveau alsook een uitstekend goed bereikbaarheid, toch worden ze slechts als lokale kern geselecteerd en staan ze op een gelijkaardige hoogte als Ouwegem en Huise. Dit klopt totaal niet met de logica achter de VITO-kaarten en het gevoelsmatig aanvoelen van de verschillende ‘kernen’ onderling.
Een grondige bijstelling van het afwegingskader is dan ook aan de orde om de kernindeling af te stemmen op de bestaande kernenhiërarchie.
Het ontwerp van beleidsplan stelt dat het gemeentelijk beleid uitspraken mag doen over de zogenaamde ‘overige bebouwingsconcentraties’ die niet aangeduid zijn als (grote) stedelijke kern of (boven)lokale kern. Concreet gaat het over een verdere indeling tussen kleine kern en bebouwingsconcentratie. We stellen ons de vraag welke beleidsmarge er ons in de praktijk nog resteert gezien het totale ruimtebeslag van beide types niet kan toenemen, er geen woonopgave is en er geen bovenlokale opgave is wat betreft verweefbare activiteiten. Een verdere indeling lijkt dan ook irrelevant te zijn gezien er beleidsmatig nauwelijks gevolgen aan gekoppeld kunnen worden.
We vragen daarom uitdrukkelijk om de kernenselectiemethodiek te herbekijken en dit in nauw overleg met ons lokaal bestuur zodat lokale terreinkennis en beleidsvisie geïntegreerd kunnen worden.
4.4. woonopgave en woonregio
Het realiseren van de trendbreuk waarbij stadsvlucht en wonen op het platteland wordt omgekeerd is al sinds de structuurplanning eind jaren ’90 een streefdoel van de bovenlokale overheid. Helaas is er van deze trendbreuk nog steeds geen sprake. De aantrekkingskracht van ‘den buiten’, de hoge vastgoedprijzen in de stad, maar ook de niet-doorvertaling van de ruimtelijke beleidsvisie op vergunningenniveau hebben hiertoe bijgedragen. Dit plan wijdt opnieuw uitgebreid uit over deze problematiek en koppelt woonopgave rechtstreeks aan de kernenselectie. De geschiedenis dreigt zich te herhalen gezien de hoe-vraag niet beantwoord wordt in het plan. Het actieprogramma voorziet ‘onderzoek naar instrument contouren-RUP/verordening/ander juridisch instrument om ontwikkelingsmogelijkheden van niet-ingevulde harde bestemmingen buiten de strategische plekken te beperken’. Deze actie lijkt onvoldoende realisatiegericht om tegen 2035 effectief een wijziging van het BAU-scenario op dit vlak op gang te brengen, wat ons terug bij de (financiële) haalbaarheid brengt van het plan.
We stellen vast dat de voorziene woonopgave voor ons lokaal bestuur sterk gereduceerd wordt ten opzichte van de Vlaamse demografische prognose.
In het ontwerp provinciaal beleidsplan ruimte wordt de totale woonopgave verdeeld over de woonregio’s en vervolgens over de selectie van kernen:
Het is begrijpelijk dat deze verdeelsleutel een ruimtelijke vertaling vormt van de basisdoelstelling ‘alles op de juiste plek’, maar we stellen vast dat deze verdeelsleutel sterk zal afwijken van de realiteit:
Er wordt dan ook sterk geadviseerd om de vooropgestelde verdeelsleutel te herbekijken. We suggereren om dit In eerste instantie cijfermatig te analyseren:
Op basis van deze kencijfers kan men beter gaan bepalen welke trendbreuk dat men wenst te bereiken.
We suggereren ook om eerder te werken met een minimale en maximale vork voor de verdeelsleutel van de woonopgave. Dit laat toe om de verdeelsleutel in een later stadium op maat van elke woonregio te differentiëren en dit in overleg met alle steden, gemeenten en betrokken woonactoren.
4.5. verhouding tot bestaande lokale kernenvisie
Als lokaal bestuur zijn we momenteel bezig met de opmaak van ons gemeentelijk beleidsplan ruimte (fase conceptnota). Hierin worden ook reeds suggesties gemaakt op gebied van kernafbakening en verdichting. Deze gemeentelijke kernenvisie, die met de grootste zin voor nauwkeurigheid met lokale terreinkennis tot stand is gekomen, komt niet overeen met de principes die opgenomen zijn in het provinciaal beleidsplan met betrekking tot kernafbakening en woonprogrammatie. Gezien het ontwerp van beleidsplan expliciet uitsluit dat een kern van typering kan wijzigen, lijkt er ook op dit vlak opnieuw geen sprake te zijn van een volwaardig samenwerkingsmodel. Tegengestelde beleidsvisies zullen zich vertalen in patstellingen in plaats van in oplossingen en ontwikkelingen die nodig zijn om de complexe ruimtelijke uitdagingen van vandaag aan te gaan.
Het ontwerp beleidsplan stelt dat binnen de kern een gelijke spreiding van de densiteit de voorkeur geniet, eerder dan het invullen van slechts één of enkele zones met een zeer hoge densiteit (p. 109). Deze afweging moet ons inziens gebaseerd zijn op gedegen stedenbouwkundige onderzoek en kan geen generiek principe voor alle kernen vormen. In bepaalde kernen is mogelijk een concentrische benadering afgestemd op de organische ontwikkeling van de kern de beste optie. In voornamelijk grotere kernen kunnen meerdere subkernen met hogere densiteit wenselijk zijn (bijvoorbeeld de stationsomgeving, het historisch centrum, …). Alleszins moet deze afweging gebaseerd zijn op gebiedsgericht maatwerk.
4.6. Afstemming regionale mobiliteitsplannen
Het ontwerp beleidsplan moet inhoudelijk afgestemd worden op de regionale mobiliteitsplannen van de verschillende vervoerregio’s in Oost-Vlaanderen. Beide plannen kennen een sterke correlatie waarbij de generieke beleidsdoelstelling om te evolueren naar een meer duurzaam bereikbaarheidssysteem in beide plannen wordt vertaald in specifieke strategische doelstellingen en concrete acties.
Binnen de regionale mobiliteitsplannen wordt werk gemaakt van een gelaagd vervoersmodel met het treinnet, kernnet, aanvullend net en vervoer op maat (VOM). Deze netwerken worden met elkaar verbonden op knooppuntlocaties waarbij de regionale mobiliteitsplannen inzetten op versterking van deze knooppunten onder meer door de uitbouw van Hoppinpunten. Het ontwerp beleidsplan beschouwt de huidige knooppuntwaarde van locaties daarentegen in belangrijke mate als een vaststaand gegeven. Door deze knooppuntwaarde als bepalende factor te hanteren voor de selectie van kernen wordt aan de mogelijkheid voorbijgegaan om – voor kernen waarvan de knooppuntwaarde vandaag onvoldoende is – via een gericht mobiliteitsbeleid een veranderingsproces te initiëren. Het concept knooppuntwaarde wordt vooral ingevuld vanuit een aanbodperspectief (welke locaties geven vandaag voldoende ontsluiting om te ontwikkelen), maar moet ook ingevuld worden vanuit een vraagperspectief: waar is er een groeiende vraag? Zo kunnen locaties die vandaag nog een te lage knooppuntwaarde hebben maar die een sterke vraag kennen, toch nog ontwikkeld worden door bijvoorbeeld extra te investeren in het ontwikkelen van bijkomende mobiliteit(sinfrastructuur). Deze strategie wordt in het BRV beschreven, maar kent onvoldoende doorvertaling in het ontwerp beleidsplan. Hierdoor wordt de kans gemist om een meer sturend beleid te voeren en wordt geopteerd voor een sterk volgend beleid.
Door historische kernen die vandaag een lagere knooppuntwaarde hebben niet langer als (boven)lokale kern te selecteren, kunnen potentiële investeringen in de bereikbaarheid van deze historische kernen in de toekomst in vraag gesteld worden. Hierbij worden de beleidsdoelstellingen uit de regionale mobiliteitsplannen onvoldoende in rekening gebracht in het ontwerp beleidsplan, bijvoorbeeld voor wat betreft kernen waar in de regionale mobiliteitsplannen regionale en lokale Hoppinpunten werden geselecteerd.
In Kruisem worden in het regionaal mobiliteitsplan voorzien in 10 hoppinpunten, waarvan één regionaal hoppinpunt (Zingem station), dit wordt evenwel niet doorvertaald in de selectie van de (bovenlokale) kernen.
De gewenste transitie naar slimme en duurzaam mobiliteit die verweven zit in de verschillende beleidskaders van het ontwerp beleidsplan wordt breed gedragen en vormt een solide basis om een kwalitatief mobiliteitsbeleid vorm te geven op voorwaarde dat er eveneens een voldoende afstemming plaatsvindt met de bestaande lokale en regionale mobiliteitsplanningsinitiatieven.
5. Beleidskader ‘Transitie naar een circulaire samenleving 2023’
5.1. ruimte voor verweefbare en niet-verweefbare bedrijvigheid
In het ontwerp van beleidsplan wordt er voor de ruimtebehoefte voor niet-verweefbare bedrijvigheid uitgegaan van een idealistisch scenario dat voorbijgaat aan de reële ruimtebehoeften en de bestaande (juridische) situaties.
De ruimtebehoefte voor niet-verweefbare activiteiten is onderzocht in een aparte studie (Raming van de ruimtevraag voor niet-verweefbare bedrijvigheid, Idea Consult, 2021). In deze studie zijn er verschillende scenario’s uitgewerkt. Enkel in het geval van (i) sterke verdichting van niet-verweefbare activiteiten op bestaande bedrijventerreinen én (ii) herlokalisatie van álle verweefbare activiteiten en een aanzienlijk deel van ‘onder voorwaarden verweefbare’ activiteiten naar de kernen, kan de netto ruimtebehoefte voor niet-verweefbare bedrijvigheid tot 2035 naar 0 hectare voor de hele provincie herleid worden.
Het basisprincipe om de bestaande bedrijventerreinen nog beter te benutten voor niet-verweefbare activiteiten en dus te verdichten, kan zeker gevolgd worden. Onderzoek en casestudies die hierrond reeds uitgevoerd zijn, onder meer in Oudenaarde, hebben helaas niet echt hoopvolle resultaten opgeleverd. Als actie wordt in het ontwerp beleidsplan ‘Onderzoek naar de meest geschikte instrumenten om het ruimtelijk rendement op strategische plekken voor niet-verweefbare activiteiten […] te verhogen’ ingeschreven. De (financiële) haalbaarheid van de vooropgestelde verdichtingsoperatie is dus op zijn minst gezegd hoogst onzeker.
Naast verdichting wordt ook sterk ingezet op herlokalisering van verweefbare activiteiten naar de kernen. Het beleidskader is gebaseerd op de hypothese dat 1.900 ha op bestaande bedrijventerreinen vrijgemaakt kan worden voor niet-verweefbare activiteiten door herlokalisatie van verweefbare bedrijvigheid naar de kernen. Het herlokaliseren van activiteiten op dergelijke grote schaal is een ongeziene en zeer complexe operatie die, indien niet goed begeleid door flankerende maatregelen, het economisch weefsel sterk kan ontwrichten. Er zijn tal van operationele, ruimtelijke, financiële en juridische hinderpalen die de haalbaarheid van het theoretische concept in de praktijk onderuit kunnen/zullen halen. Het ontwerp beleidsplan toont op geen enkele manier aan of en hoe dit in de praktijk concreet gerealiseerd moet/kan worden. Een succesvolle verweving van functies valt of staat met actieve sturing en ingrijpen vanuit de overheid én met een maatschappelijk gewijzigde visie over omgevingshinder bij de burger. Acties hieromtrent blijven uit. Één van de acties die het ontwerp van beleidsplan wel voorstelt, is ‘onderzoek naar instrumenten om ruimte voor te behouden voor niet-verweefbare activiteiten binnen de strategische plekken voor niet-verweefbare activiteiten […]’. Het onderzoek naar geschikte instrumenten om ruimte te creëren op bestaande bedrijventerreinen moet dus nog van start gaan, maar gelijktijdig wordt een quasi moratorium op de ontwikkeling van bijkomende ruimte voor niet-verweefbare bedrijvigheid afgekondigd. Het is duidelijk dat hier actief een probleem wordt gecreëerd waarvoor men vandaag geen oplossing kent. Eenzelfde knelpunt detecteren we langs de bestemmingszijde, in de kernen dus, waar ‘geïntegreerde processen voeren en instrumenten aanreiken om binnen kernen actief ruimte te voorzien voor verweefbare activiteiten’ als actie in het ontwerp van beleidsplan ingeschreven staat. De voorafgaande studie stelt letterlijk:
“Tegelijk zijn er indicaties dat de praktijk van verweving moeizaam verloopt. Uit de cijfers van de ruimtebehoefteraming voor Vlaanderen (2013) blijkt bijvoorbeeld dat het aandeel van de economie op bedrijventerreinen toeneemt in plaats van meer verweeft. Deze tendens werd grotendeels bevestigd door de geïnterviewde personen tijdens de eerste fase van deze studie. Ondanks de voordelen die verweving van economische activiteiten met zich meebrengt (dynamischere woongebieden, optimalisaties woon-werkverkeer, …) en de ‘good practices’, ziet men een daling van de verweving in de realiteit. Naast aard van de activiteit, is schaal volgens de stakeholders bepalend voor het al dan niet kunnen verweven van een onderneming. Eenmaal een onderneming een bepaalde kritische massa bereikt, is een verweven locatie niet meer voor de hand liggend.” (p. 83)
Het hele beleidskader circulaire samenleving vertrekt vanuit het onderscheid tussen verweefbare en niet-verweefbare activiteiten (met elk hun eigen strategische plek, de kern of bedrijventerreinen/HUB’s). Over de indeling verweefbaar versus niet-verweefbaar stelt het beleidsplan: “We bepalen of een activiteit verweefbaar of niet verweefbaar is in de gemengde leefomgeving aan de hand van drie dimensies van verweefbaarheid (…)”. Het beleidsplan maakt daarbij niet duidelijk wie in de praktijk concreet zal (moeten) beoordelen wat verweefbaar is of niet, en volgens welke criteria / maatstaven. Zo kan een activiteit in de ogen van een inwoner van de gemengde leefomgeving sneller hinderlijk zijn dan in de ogen van een ondernemer, een ambtenaar, … Het is vanzelfsprekend dat de drie dimensies van verweefbaarheid voor verschillende interpretaties vatbaar zijn, afhankelijk van de betrokken personen/stakeholders, de activiteit ruimtelijke context,… en de indeling verweefbaar versus niet-verweefbaar in de praktijk niet eenduidig te maken is.
Vandaar ook dat de onderliggende studie terecht benadrukt dat men “geen generieke uitspraken kan doen over welke activiteiten verweefbaar zijn en welke niet” en dat de gebruikte scores van verweefbaarheid theoretisch zijn op basis van data, maar de situatie in de praktijk daarvan kan afwijken.
Om al deze redenen is het niet werkbaar voor ons als lokaal bestuur om met dit cruciaal concept uit het beleidskader aan de slag te gaan in de praktijk.
Er lijkt bovendien geen rekening te zijn gehouden met de bijkomende ruimtevraag op terreinen voor niet-verweefbare bedrijvigheid van volgende ruimtevragers:
Het is tevens niet duidelijk welke functies en activiteiten nog plaats zullen mogen vinden binnen de “kleine kernen”. Het ontwerp beleidsplan stelt hierover (p.91): “Kleine kernen zijn van strategische waarde op lokaal niveau. We streven ook hier naar een circulaire benadering van de ruimte, maar zetten in op een meer generiek beleid. Voor deze kernen zien wij geen bovenlokale opgaves”. We verwachten hierover meer duidelijkheid.
Het is daarbij ook nodig te verduidelijken wat precies bedoeld wordt met ‘bovenlokale opgave’ in het licht van verweefbare versus niet-verweefbare activiteiten.
Tot slot worden de inzichten uit vroegere planningscontext niet meegenomen: bv. de selectie en taakstelling voor de Bijzondere Economische Knooppunten (BEK’s) uit de tweede herziening van het provinciaal ruimtelijk structuurplan Oost-Vlaanderen wordt NIET opgenomen. Dit betreft een pakket van maximum 65 ha voor 4 BEK’s: Zulte-Kruishoutem (Zaubeek), Grens Zelzate-Assenede, Kluizemolen te Sint-Gillis-Waas, Zwaarveld Hamme. Waar de betrokken gemeenten nog steeds vragende partij zijn, is het aangewezen om de realisatie van de BEK’s op te nemen in het provinciaal beleidsplan ruimte en dit niet opnieuw door te schuiven naar een complex en tijdrovend gebiedsgericht proces. Sommige provinciale planningsprocessen zijn ook reeds lopende (bv. PRUP “Zaubeek”) en zouden dan strijdig kunnen zijn met het ontwerp beleidsplan. Het PRUP “Zaubeek” in onze gemeente krijgt een “beperkte” potentie terwijl er nu al een concentratie aan milieubelastende industrie (= niet-verweefbare activiteiten) aanwezig is (in aansluiting ij E17). De ontwikkelingsmogelijkheden zijn onvoldoende afgestamd op bestaande bedrijvigheid en de noden/wensen.
Concluderend kan gesteld worden dat een ruimtetekort voor niet-verweefbare bedrijvigheid op korte termijn zal ontstaan waardoor onze opgebouwde maatschappelijke welvaart, toch ook één van de zeven kernwaarden uit de strategische visie van het beleidsplan, ernstig in het gedrang wordt gebracht. Daarnaast wordt er grote druk op de kernen gelegd om verweefbare activiteiten op te nemen in het bestaande ruimtebeslag. Ook de woonopgave dient hoofdzakelijk een plek te krijgen binnen het bestaande ruimtebeslag van de kernen. Verwacht kan worden dat de vastgoedprijzen in de kernen sterk opgedreven zullen worden door de grote vraag van zowel wonen als verweefbare activiteiten. En dit terwijl we vandaag reeds geconfronteerd worden met een historisch lage betaalbaarheid van vastgoed. De opties die genomen werden in vroegere planningscontext worden verlaten ondanks de reeds opgestarte planningsinitiatieven. Tot slot wordt de (financiële) haalbaarheid van dit thema ook ernstig in vraag gesteld.
5.2. potentie en transitiekaart
Voor alle juridisch bestaande bedrijventerreinen is de potentie voor niet-verweefbare activiteiten onderzocht. Dit leidt soms tot zeer opmerkelijke resultaten.
Zo zijn de potenties van niet-gerealiseerde, maar juridisch-planologisch wel bestaande paarse zoneringen geëvalueerd. Het gaat hier om zones die vandaag geen ruimtebeslag kennen. Dit lijkt moeilijk verenigbaar met het basisuitgangspunt ruimtebeslag in evenwicht. De afweging van de ontwikkelingsopportuniteit op die welbepaalde locatie moet gemaakt worden, in plaats van een loutere potentiebeoordeling. Mogelijk kunnen net deze zones ingezet worden om te herbestemmen naar open ruimte en kan eventueel planologische ruil plaatsvinden met plekken die veel gunstiger gelegen zijn om niet-verweefbare bedrijvigheid te realiseren.
De ontwikkelingsperspectieven die het ontwerp van beleidsplan uitzet voor bepaalde zones voor niet-verweefbare bedrijvigheid stroken niet met lopende, door de provincie tot nu toe gedragen planningsprocessen (bv. PRUP “Zaubeek” in onze gemeente) op basis van het PRS.
De ruimtelijk toekomst voor het ondernemerschap dat zich niet in of in de directe nabijheid van een stedelijke kern bevindt, ziet er somber uit. Een standstil of zelfs een afbouwscenario voor niet-verweefbare bedrijvigheid is hier aan de orde. Nochtans gaat de strategische visie van het beleidsplan uit van het ruimtelijk principe ‘nabijheid en bereikbaarheid versterken’. Ook in de kleinere gemeenten woont nog steeds een groot aandeel van de Oost-Vlaamse bevolking. Een job dicht bij huis maakt deel uit van een kwalitatieve en comfortabele leefomgeving. Hoe de afstandsgrenswaarden (2km ten opzichte van de voorlopige contour van bovenlokale kernen of 500m ten opzichte van de voorlopige contour van lokale kernen) precies bepaald zijn, is niet duidelijk. Alleszins zijn duurzamere verplaatsingen over een afstand van meer dan 2km zeker niet ondenkbaar, o.a. door de sterke opkomst van de elektrische fiets.
5.2.1. Zones voor niet-verweefbare bedrijvigheid
Er worden ernstige vragen gesteld bij de visie omtrent de zones die geselecteerd zijn als niet-verweefbare activiteiten. Deze visies zijn niet doorgesproken, noch gedragen door onze gemeente.
5.2.1.1. Provinciaal Ruimtelijk Uitvoeringsplan (PRUP) “Zaubeek”
De visie in het provinciaal beleidsplan staat aldus haaks op de bestaande doelstellingen van het PRUP en de bestaande bestemming volgens het gewestplan (milieubelastende industrie). Quid (financiële) haalbaarheid (zie voorgaande).
5.2.1.2. Gemeentelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan (RUP) “Lokaal bedrijventerrein”
De gemeente Kruisem tracht al jaren een beperkte uitbreiding te voorzien bij het bestaand bedrijventerrein Vogelzang ter hoogte van de N60. Dit is echter niet in overeenstemming met het PRS gezien niet aansluitend bij een kern. Het ontwerp van beleidsplan kent de zone nu een zeer hoge potentie voor niet-verweefbare bedrijvigheid toe.
Ontwikkelingskansen zijn er enkel voor niet-verweefbare activiteiten. De verweefbare activiteiten krijgen geen ontwikkelingskansen (niet verbouwen, uitbreiden, herbouwen) en moeten op termijn herlokaliseren naar een kern. Onder niet-verweefbare activiteiten worden de activiteiten begrepen die teveel hinder veroorzaken en/of ruimtelijk moeilijk inpasbaar zijn. Het is niet duidelijk hoe/wie de parameters dienen geïnterpreteerd te worden met betrekking tot “teveel hinder veroorzaken” en de “ruimtelijke inpasbaarheid” om te concluderen of een bedrijf al dan niet verweefbaar is en dus kan blijven of moet herlokaliseren. Ook hier worden vragen gesteld bij de (financiële) haalbaarheid van deze visie.
5.2.1.3. Gemeentelijk Beleidsplan Ruimte
Het gemeentebestuur is bezig met de opmaak van zijn Gemeentelijk Beleidsplan Ruimte (fase conceptnota). Hierin worden verschillende beleidsvisies vooropgesteld die strijdig zijn met de opties uit het provinciaal beleidsplan ruimte.
In ons gemeentelijk beleidsplan zullen 2 beleidskaders verder uitgewerkt worden:
In deze beleidskaders zullen de verdere visie op gebied van economisch netwerk verder beschreven worden (ook van de zones waarop vandaag nog geen gemeentelijke visie is).
5.2.2. HUB’s
De transformatie of mogelijkheden die opgenomen zijn als HUB voor de verschillende bedrijventerreinen houden geen rekening met de bestaande/juridische/gewenste ontwikkelingen die (g)een draagvlak vinden bij het lokaal bestuur/eigenaars/bedrijfsleiders.
Als voorbeeld kan hier de bedrijvenzone “Zaubeek” gegeven worden. Waarbij, los van het lopende provinciaal planningsproces (PRUP) en de tegenstrijdigheden met de visie in het ontwerp beleidsplan, vragen kunnen gesteld worden met de transformatie van het (volledige) gebied naar een ontwikkelingsmogelijkheid als agroHUB-glas. Op heden is hier totaal geen vraag of nood aan, maar is er net een grote vraag of nood aan ruimte in functie van regionale bedrijvigheid en logistieke bedrijven.
De vraag die ook nog steeds heerst is in hoever de voorziene potenties in functie van de HUB’s ook niet aanzien kunnen worden als niet-verweefbare activiteiten, gelet op de ruimtelijke inpasbaarheid en de hinder die ze veroorzaken (bv agroHUb – glas die een grote oppervlakte aan gebouwen met zich meebrengt alsook ’s nachts eventueel lichtpollutie kan veroorzaken).
5.2.3. Herevaluatie
Wij vragen uitdrukkelijk dat zowel de potentie- als de transitiekaarten opnieuw en grondig geëvalueerd worden. Het lijkt noodzakelijk de inputparameters van het algoritme dat de potentie voor niet-verweefbare bedrijvigheid bepaalt, bij te sturen. Inhoudelijke tegenstrijdigheden met lopende planprocessen, zowel op lokaal als op bovenlokaal niveau dienen uitgeklaard te worden, de ontwikkelingsopportuniteit van niet-ontwikkelde zones dient grondiger gescreend te worden. Wij willen als lokaal bestuur actief betrokken worden bij deze oefening zodat niet enkel lokale terreinkennis, maar ook bestaande beleidsvisies meegenomen kunnen worden. Enkel op die manier kan een realisatiegericht plan ontstaan dat kan verder bouwen op een fundament van constructieve partnerschappen.
6. Conclusie
Alle elementen van bovenstaand advies in ogenschouw genomen, moeten we concluderen dat de opties/visies die in voorliggend ontwerp van Provinciaal Beleidsplan Ruimte Oost-Vlaanderen vooropgesteld worden (financieel) niet haalbaar zijn en over onvoldoende lokaal draagvlak beschikt om te kunnen leiden tot een definitieve vaststelling van het plan.
De impact van dit ontwerp beleidsplan op ons lokaal bestuur en onze burgers is zeer groot. Het ontwerp dat nu voorligt, is bovendien veel gedetailleerder en concreter uitgewerkt dan het voorontwerp van plan. Het ontwerp vraagt dan ook een grotere participatieve inspraak dan er nu is geweest met de betrokken gemeentebesturen/middenveldorganisaties/belanghebbenden alvorens hierover een openbaar onderzoek te organiseren met de totale (provinciale) bevolking. Pas als de lokale besturen zich achter de visie/intenties van het plan kunnen scharen maakt het plan pas kans te hebben op een breed gedragen maatschappelijk draagvlak in het kader van een openbaar onderzoek.
Op het regionaal Reflectiemoment over het ontwerp van beleidsplan op 12 mei ’23 is onder schepenen en ambtenaren ruimtelijke ordening van Zuid-Oost-Vlaanderen grote bezorgdheid geuit over de gevolgen van dit beleidsplan op het lokaal ruimtelijk beleid, de impact op haar bewoners, ondernemers en gebruikers van de ruimte. De resultaten van de bevraging die op dat moment is gehouden, vindt u in bijlage. Vanuit het lokale niveau is er duidelijk draagvlak voor bepaalde beleidsopties, maar kan men zich veelal niet vinden in de uitwerking ervan. We pleiten dan ook voor veel hogere mate van betrokkenheid bij de opmaak van het plan. Enkel zo kan ruimtelijke beleidsplanning effectief een realisatiegerichte samenwerkingsmodel worden. En die samenwerking tussen partners over de beleidsniveaus heen heeft onze Oost-Vlaamse ruimte hard nodig.
Daarom vragen wij uitdrukkelijk aan de Provincie om de lopende procedure tot opmaak van het Provinciaal Beleidsplan Ruimte Oost-Vlaanderen on hold te zetten en voldoende stappen terug te zetten in het planproces om te komen tot een maatschappelijk haalbaar en gedragen ontwerp. Ons lokaal bestuur reikt de hand uit om dit in een constructieve dialoog te realiseren. De uitgangspunten van het voorliggend ontwerp van beleidsplan zijn alvast een startpunt om samen verder aan de slag te gaan.
7. Bijlage
Resultaten bevraging Reflectiemoment 12 mei 2023.
De artikelen 41 en 162 van de Grondwet.
De artikelen 40, 41 en 326 tot en met 341 van het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017 en latere wijzigingen.
De artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.
Het bestuursdecreet van 7 december 2018.
De Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO).
Besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van nadere regels voor de opmaak, de vaststelling en de herziening van ruimtelijke beleidsplannen en tot wijziging van diverse besluiten van de Vlaamse Regering in het kader van de regeling van de ruimtelijke beleidsplanning.
Artikel 1:
De gemeenteraad van Kruisem levert een ONGUNSTIG advies af met betrekking tot het ontwerp van Provinciaal Beleidsplan Ruimte Oost-Vlaanderen, gelet op de in de beslissing opgenomen aspecten.
Artikel 2:
Conform artikel 27 van het Besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van nadere regels voor de opmaak, de vaststelling en de herziening van ruimtelijke beleidsplannen (…) wordt een afschrift van dit ongunstig advies overgemaakt aan de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen.
Artikel 3:
Wij als gemeente er ons toe verbinden om de bepalingen van dit provinciaal beleidsplan ruimte niet rechtstreeks of onrechtstreeks toe te passen bij het afleveren van vergunningen zolang hier geen nog geen ruimtelijke uitvoeringsplannen voor zijn.
Artikel 4:
We vragen dat de provincieraad dezelfde instructie opneemt ten aanzien van de administratieve beroepsprocedures die voor de bestendige deputatie komen. Dat er aldus geen legaliteitstoets of opportuniteitstoets wordt toegepast door de deputatie op basis van dit beleidsplan, zolang hier geen ruimtelijke uitvoeringsplannen voor goedkeuring zijn.
Artikel 5:
Afschrift van deze beslissing wordt overgemaakt aan onze Afdeling Omgeving.
Artikel 6:
Overeenkomstig artikel 330 van het decreet lokaal bestuur brengt de gemeenteoverheid de toezichthoudende overheid op de hoogte van de bekendmaking op de webtoepassing.
Het gemeenteraadslid dat ontslag wil nemen, deelt dat schriftelijk mee aan de voorzitter van de gemeenteraad.
Het ontslag is definitief zodra de voorzitter van de gemeenteraad de kennisgeving ontvangt.
Het lid van de gemeenteraad blijft zijn mandaat uitoefenen tot zijn opvolger geïnstalleerd is, behalve als het ontslag het gevolg is van een onverenigbaarheid.
Artikel 13 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur.
De schriftelijke kennisgeving dd. 2 juni 2023 van de heer Geoffrey Verleyen betreffende zijn ontslag als gemeente- en OCMW-raadslid.
De gemeenteraad neemt kennis van de schriftelijke kennisgeving van 2 juni 2023 gericht aan de Voorzitter van de gemeenteraad waarbij de heer Geoffrey Verleyen zijn ontslag aanbiedt als gemeente- en OCMW-raadslid, met ingang vanaf 1 september 2023.
Een van de belangrijkste doelstellingen van deze bestuursmeerderheid luidt: "Kruisem ontmoet".
Een credo waar onze fractie uiteraard 100% achter staat.
Onze gemeente is rijk aan heel wat verenigingen. Zelfs ondanks de coronacrisis en de inflatie blijven onze verenigingen veerkrachtig, mede dankzij de financiële en logistieke steun van het gemeentebestuur. Anderzijds kunnen we niet ontkennen dat het aantal verenigingen langzaam aan krimpt, althans in mijn eigen perceptie want over exacte cijfers beschik ik niet (dixit raadslid Geoffrey Verleyen). Wat ik wel weet, is dat de opvolging binnen bepaalde verenigingen problematisch wordt. Om die reden is het vandaag de dag ook bijzonder moeilijk om nieuwe initiatieven of verenigingen op te starten. Het gemeentebestuur kan daarin echter een (bijkomende) faciliterende of zelfs ondersteunende rol opnemen.
In 2014 besliste de gemeenteraad van Zingem om voor nieuwe initiatieven of verenigingen een impulssubsidie in het leven te roepen.
Een éénmalige en beperkte subsidie - bij wijze van voorzet - om de vele administratieve en financiële verplichtingen te verlichten, zodat een vlotte opstart (of doorstart) van een vereniging mogelijk is.
Denk maar aan de vele publiciteit of aan sommige juridische zaken zoals afsluiting van verzekeringen of neerlegging van statuten. We verwachten echter niet dat deze impulssubsidie een toevloed aan aanvragen zal teweegbrengen, maar ook al kunnen we hiermee een of meerdere initiatieven of verenigingen ondersteunen, dan is dat - mijn inziens - een groot succes. De financiële impact zal mijn inziens beperkt zijn, de meerwaarde voor de gemeenschap des te groter. Net om die reden wil ik jullie vragen om deze goede praktijk te onderzoeken.
VRAAG
Is het college van burgemeester en schepenen bereid om de mogelijkheid tot voorziening van een impulssubsidie voor nieuwe verenigingen in Kruisem te onderzoeken en - indien mogelijk - uit te werken?
De gemeenteraadsfractie Open VLD Kruisem verzoekt om de hierboven vermelde vraagstelling toe te voegen aan de agenda van de openbare zitting.
De voorzitter sluit de zitting op 03/07/2023 om 20:00.
Aldus vastgesteld en beslist in zitting van heden.
De agenda is afgehandeld.
Vanwege de gemeenteraad,
Namens Gemeenteraad,
Kris Nachtergaele
Algemeen directeur
Joop Verzele
Burgemeester-voorzitter